DOGS AND SPORTS


Cynophilia Gehoorzame Hond

www.Cynophilia.nl

In 1890 werd door liefhebbers van rashonden de Nederlandse Vereniging van Liefhebbers en Fokkers van Rashonden opgericht. Kort daarna werd de naam Cynophilia toegevoegd. Zij is daarmee de oudste algemene kynologenvereniging. Dat zelfde jaar werd in Scheveningen, door de eerste voorzitter, H.A. Graaf van Bylandt, een tentoonstelling georganiseerd.

In 1948 werd Z.K.H. Prins Bernhard beschermheer van Cynophilia; enige tijd later werd aan Cynophilia, als enige kynologische vereniging, het predikaat "Koninklijke" toegekend.

In samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging "Nimrod" en de Kynologenvereniging Nederland,  heeft KNK Cynophilia de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland opgericht.

De doelstelling van Cynophilia is het bevorderen van de liefhebberij in en de sport met rashonden, in de ruimste zin van het woord.

Cynophilia kent verschillende takken van sport;  
Gedrag en Gehoorzaamheid  (examens en wedstrijden), Gehoorzame Hond  (examens), Behendigheid en Flyball  (wedstrijden), het geven van instructiecursussen en de tentoonstelling De Winner

 
  

 Gehoorzame Hond

INLEIDING

 

Het doel van het examen is de hond te testen op sociaal gedrag en een goede opvoeding. De geleider wordt getest op zijn kennis over de juiste wijze van de omgang met een hond. Ook in kritische situaties dient de geleider te weten hoe te reageren op het gedrag van de hond. Overal waar te voor staat is niet acceptabel gedrag. Voor een juiste reactie heeft de geleider behalve praktische kennis ook theoretische kennis nodig. Mocht de hond ongewenst gedrag vertonen, dan moet de geleider hiermee om weten te gaan en laten zien dat hij/zij degene is die de regie in handen heeft en zich consequent gedraagt. Ten slotte moet de geleider zich bewust zijn van en handelen naar zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid tegenover zowel de hond als de omgeving. Simpel gesteld de geleider is verantwoordelijk voor het gedrag van de hond, waar dan ook. Het examen is dus een optelsom van het functioneren van geleider en hond en de kennis van de geleider. Het GH is een basis en vormt samen met het GHII een complete opleiding. Het  Theorie Reglement is te verkrijgen bij Cynophilia voor 7,75 euro. Het reglement GHI en II zijn ook te downloaden.
Algemene regels GHI en GHII download


ALGEMEEN
 
Natuurlijk is de hond voor het examen goed uitgelaten. De geleider van de hond dient meerdere poepzakjes op zak te hebben. Op verzoek van de keurmeester kan de geleider op ieder moment een poepzakje tonen.
De hond draagt een halsband. De riem moet ”vast” zijn en mag niet flexibel zijn.
De geleider volgt tijdens het hele examen de richtlijnen en aanwijzingen van de keurmeester.


 

Eisen voor het certificaat Gehoorzame Hond I KNK Cynophilia  
 


Auto

1.  Blijven in de auto

De hond bevindt zich in de auto, maar 1 hond in de auto, niet aangelijnd. Minimaal één van de ramen dient op een kier te staan zodanig dat voldoende ventilatie mogelijk is. De geleider is uit zicht gedurende minstens 2 minuten. De keurmeester loopt gedurende deze periode een keer tussen de auto’s door: ook een geleider met een aangelijnde hond loopt een slalom tussen de auto’s. De hond dient zich rustig te gedragen en geen vernielingen aan te richten. Constant blaffen, janken en tegen de ramen opspringen geeft een onvoldoende. Het gebruik van een bench of een goedgekeurde veiligheidsgordel is hierbij toegestaan.

 

2.      Uit de auto halen. (min+/-)

De geleider opent de auto. De hond dient rustig te wachten op een teken van de keurmeester word de hond aangelijnd en op aanwijzing van de keurmeester uit de auto gehaald. Het uit de auto halen dient te gebeuren op een door de keurmeester te bepalen wijze cq. kant van de auto. De geleider houdt hierbij de riem kort vast. De riem mag hierbij strak staan.

De hond mag niet gelijk doorrennen zodat een verkeersgevaarlijk situatie ontstaat. Dit geeft een onvoldoende

 

Opmerking:

Indien de eigenaar niet in het bezit van een auto is, kunnen de oefeningen 1 en 2 ook in een auto van een andere cursist worden gedaan.

 

VELD

 

3.      Meelopen zonder hinderlijk gedrag t.o.v. geleider en omgeving. (min +/-)

De geleider dient met de aangelijnde hond eenparcours te lopen wat aangegeven is door de keurmeester. De hond mag niet constant aan de riem trekken of gecorrigeerd worden. De correcties moeten wel effect hebben.

Tijdens het meelopen moet de hond tot zit worden gebracht op een van tevoren door de keurmeester aangegeven plaats. Tijdens het wandelen wordt de hond ook tot af gebracht. Het tot zit of af brengen van de hond dient voor een + te gebeuren zonder de hond aan te raken. Tenslotte dient de geleider te wandelen door verspreid staande geleiders met hun honden.

De hond dient “af” te blijven en te blijven “zitten” tot de geleider op het teken van de keurmeester het commando opheft.

Plassen op het veld geeft een +/- indien de eigenaar op de juiste manier reageert. De juiste manier is, als de eigenaar de hond berispt. Indien de eigenaar niet reageert is dit een onvoldoende.

 

4.      Hand geven. (min +/-)

Aan het eind van het meelopen loopt de geleider met hond naar de keurmeester en geeft deze een hand. De hond mag niet tegen de keurmeester opspringen of ander storend gedrag vertonen. Herhaaldelijk tegen de keurmeester opspringen ook na een correctie geeft een onvoldoende.

5.      Spel en aandacht. (min +/-) 

De eigenaar speelt met de hond. De hond dient hierbij optimaal aandacht voor de baas te hebben. Indien de hond geen aandacht voor de baas heeft of niet wil spelen kan men max. nog een +/- behalen. Het gebruik van een speeltje is toegestaan. Onder spelen word bijvoorbeeld ook verstaan het wegduwen, naar je toetrekken, achter de handen aanlopen van de hond. De eigenaar dient het spel onder controle te hebben en dit op elk moment kunnen beëindigen.

Ook moet wild gedrag gecorrigeerd kunnen worden door een commando, bijv. voorzichtig, rustig, foei.

Indien de hond tijdens het spelen voordurend gromt of de geleider het spel niet onder controle heeft geeft dit een onvoldoende.

 

DIERENARTS EN VERZORGING

 

  

6.      Op tafel tillen. (min+/-)

 

A    Dit gebeurd door de eigenaar, eventueel bij grote honden met hulp. Bij hulp dient de

eigenaar de voorkant van de hond te nemen en de helper de achterkant. De eigenaar dient de helper te vertellen hoe hij moet tillen. Gelet wordt of dit op eenvoor het ras juiste manier gebeurt.

Bij honden, behorend tot een extreem zwaar ras, ter beoordeling van de keurmeester, mag de geleider volstaan met de hond aan de voorkant op te tillen zodanig dat de voorpoten los zijn van de grond. Het onderdeel Dierenarts zal dan verder op de grond worden afgewerkt

 

B   Oren en keel laten bekijken; poten en bek aanraken; staart optillen. (min +/-)

De eigenaar toont de keel van de hond. De rest van de oefening voert keurmeester uit. De eigenaar moet hierbij assisteren door de hond vast te houden. De keurmeester moet na elke hond zijn handen wassen.

 

C   Snuitbandje omdoen. (min +/-)

Dit moet zodanig worden gedaan dat de hond niet meer in staat is zijn tanden van elkaar te doen. De knoop van het snuitbandje moet onder de kop zitten. Dit doet de eigenaar. Deze oefening wordt bij voorkeur uitgevoerd op een tafel. Er moet worden aangetoond dat het snuitbandje op de juiste manier wordt omgedaan, het ras in aanmerking genomen. In speciale gevallen kan door de keurmeester toestemming gegeven worden dit op de grond te doen.

 

7.      Borstelen. (min +/-)

De hond wordt staande en liggend geborsteld. De hond wordt met een commando in de liggende positie gebracht, bij voorkeur op een ruwe ondergrond, en wordt geborsteld, ook onder de buik. Tevens worden de voeten geïnspecteerd op steentjes of beschadigingen. Deze oefening mag ook op tafel worden uitgevoerd. Bij het tot liggen brengen is handhulp toegestaan. Indien de hond niet in liggende positie te borstelen is geeft dit een onvoldoende.

 

8.      Kluif loslaten. (+/-)

A.     De (kunst)kluif wordt aan de hond gegeven. Op aanwijzing van de keurmeester moet de

hond op commando loslaten.

  

B.    Voederbaktraining. (+/-)

De hond wordt tot rust gebracht in zittend positie. De hond krijgt een voerbak met wat voedsel voor zijn neus. Na toestemming mag hij gaan eten. De eigenaar beroert met zijn hand het voer in de voerbak. De eigenaar neemt al pratend , de voerbak als deze bijna of helemaal leeg is, op en vult deze meteen bij met wat extra voer uit een andere bak. Bij het bijvullen hoeft de hond niet te zitten. De hond mag verder rustig alles opeten. De hond mag tijdens deze oefening niet grommen of bijten.

 

  

STAD

 

9.      Uitlaten. (+/-)

Een aangegeven traject wordt in drie gedeeltes van ongeveer 100 meter verdeeld. Alleen op het tweede traject mag de hond zijn behoefte doen. Indien de hond dit op een ander traject doet en de eigenaar reageert op de juiste manier dan geeft dit een +/- . Voor dit alles wordt een traject gekozen, wat niet hinderlijk is voor anderen. Eventuele uitwerpselen van de hond worden door de geleider opgeruimd met bijvoorbeeld een poepzakje. Deze oefening wordt in groepsverband gedaan. De eigenaar loopt in normaal wandeltempo.

 

10. Negeren van fietser en trimmer. (+/-)

Terwijl de eigenaren met hun hond wandelen, achter elkaar en aangelijnd, passeert tweemaal een fietser, die belt, op ongeveer 2 meter afstand aan de kant waar de hond zich bevindt, en loopt er tweemaal een trimmer voorbij. Het benaderen van de groep gebeurt de eerste keer van voren, de tweede keer van achteren.

 

11. Vastleggen en blijven.

De geleider legt de hond vast (bijvoorbeeld aan een paal) en gaat uit zicht gedurende minstens twee minuten. Indien er gebruik gemaakt wordt van een slipketting dient deze in de zogenaamde open stand omgedaan te worden. Het vastbinden gebeurt zodanig, dat de hond kan gaan staan en gaan liggen zonder verward te raken in de riem. In deze tijd passeert een andere geleider en een rustige hond, die niet tot de examengroep behoort, op een afstand van ongeveer 1 meter. De hond moet alle activiteiten in zijn buurt rustig toelaten. Hij wordt niet aangeraakt. De hond mag niet constant piepen of blaffen. De palen moeten zover uit elkaar staan dat de honden niet bij elkaar kunnen komen.

 

12. Wachten aan de stoeprand.

De hond dient aangelijnd, eventueel na een commando, te wachten aan de stoeprand tot de baas doorloopt. Dit gebeurt na een teken van de keurmeester. De wachttijd is minstens 15 seconden.

 

13. Fietsen.

De eigenaar dient een 150 meter te fietsen met de hond (bij voorkeur in draf) rechts naast de fiets. De hond mag hierbij niet trekken of springen. De lijn dient hierbij in de hand te worden gehouden. De lengte van de lijn moet zodanig zijn dat de hond niet voor en niet achter de fiets kan komen. Bij gebruik van een slipketting dient deze correct te zijn omgedaan. Het gebruik van een springer is hierbij toegestaan mits deze gelijktijdig met de normale lijn wordt gebruikt. In speciale gevallen kan door de keurmeester van deze oefening ontheffing worden verleend.

 

14. Komen. (+/-)

De hond wordt op een veilige plaats losgelaten en vrij gegeven. Eventueel mag de hond door een ander dan de geleider meegelokt worden om de afstand te vergroten. Na toestemming van de keurmeester wordt de hond geroepen en dient vlot te komen om weer te worden aangelijnd. De oefening gebeurt 1 voor 1 , terwijl de andere honden aangelijnd rondlopen. De eigenaar loopt tijdens het vrijgeven rustig tussen de andere geleiders rond. Bij het roepen van de hond staat de geleider stil. Hij mag maximaal 4 maal roepen of fluiten al dan niet ondersteund met gebaren.

 

RESTAURANT / VISITE

 

15. Plaats leggen en houden.

De eigenaar legt de hond op een niet hinderlijke plaats af. De hond moet blijven liggen, tot de keurmeester aangeeft, dat het commando mag worden opgeheven. de eigenaar bevindt zich tijdens deze oefening in de nabijheid van de hond. Er wordt bijvoorbeeld gemeenschappelijk koffie gedronken.

 

Tegelijkertijd kan de meerkeuzetoets worden afgenomen. Bij het betreden van het restaurant en het verlaten, dient eerst de eigenaar door de deur te gaan.

 

 ALGEMEEN

 

16. Gedrag ten aanzien van andere honden en andere mensen dan de eigenaar .

(+/-)

Dit mag niet storend zijn.

 

17. Gedrag van de baas ten opzichte van zijn hond. (+)

Ruw gedrag leidt bij herhaling tot diskwalificatie. Indien tijdens het examen zich een onveilige situatie voordoet bijv. een hond die tijdens een oefening losschiet geeft dit een onvoldoende.

 

THEORIE

 

18. Meerkeuzetoets. (+/-)

Als leerstof wordt gebruikt de inhoud van de boekjes “Wie is de baas”, “Gedrag” en  “verzorging” van Ank Rens. Deze boekjes zijn gebundeld en tezamen met de eisen voor het Certificaat “Gehoorzame Hond Cynophilia I en II” in het reglement G.H. opgenomen. Dit reglement is te verkrijgen door overmaking van het beschuldigde bedrag op giro 5442675 t.n.v. KNK Cynophilia te Driebergen o.v.v. G.H. reglement.

 

De keurmeester neemt de meerkeuzetoets af.

20 vragen waarvan er minimaal 16 goed beantwoordt dienen te worden.

De theorie kan in bijzondere gevallen eventueel ook mondeling worden afgenomen. Hiervoor dient men dan dispensatie aan te vragen.

Maakt men de meerkeuzetoets onvoldoende dan kan men deze later tijdens een ander examen herkansen. Herkansen is alleen mogelijk binnen 1 jaar na het examen.

 

In het boekje “Verzorging” van Ank Rens, opgenomen bij dit reglement wordt geschreven dat er geen preventief middel is tegen Leischmaniasis, dit is echter door de tijd achterhaald. Deze ziekte is tegenwoordig preventief te behandelen door het gebruik van een Scaliborband en Scaliborshampoo tegen het zandvliegje. Het inspuiten met Frontline (tussen de schouderbladen) is echter geen bewezen preventiemiddel.

 

 

SCORELIJST GEHOORZAME HOND 1

 

 

 

CATEGORIE

OEFENING

SCORE

MIN..

TOTAAL

AUTO

Blijven in de auto

+

+/-

 

 

Uit de auto halen

+

+/-

+/-

 

 

TOTAAL AUTO

 

 

 

 

1+

VELD

Meelopen

+

+/-

+/-

 

Zit

+

+/-

 

 

Staan

+

+/-

 

 

Af

+

+/-

 

 

Spel en aandacht

+

+/-

+/-

 

 

TOTAAL VELD

 

 

3+

STAD

Uitlaten

+

+/-

+/-

 

Negeren fietser en trimmer

+

+/-

+/-

 

Vastleggen en blijven

+

+/-

 

 

Komen

+

+/-

+/-

 

 

TOTAAL STAD

 

 

 

 

3+

DIERENARTS EN VERZORGING

Hand geven

+

+/-

+/-

 

Op tafel tillen

+

+/-

+/-

 

Oren, keel, poten, bek

+

+/-

+/-

 

Snuitbandje

+

+/-

+/-

 

Gebitsverzorging

+

+/-

 

 

Tablet ingeven

+

+/-

 +/-

 

Afdrogen staand / liggend (flat) borstelen

+/- 

– 

+/-

 

Voerbak

+

+/-

+/-

 

 

TOTAAL DIERENARTS EN VERZORGING

 

 

6+

RESTAURANT

Plaats leggen en houden

+

+/-

 

 

ALGEMEEN

Gedrag van de hond

+

+/-

+/-

 

Gedrag van de geleider

+

+/-

+

 

THEORIE

Toets (min. 16 goed)                      Aantal __________ goed

+

+/-

+

 

 

TOTAAL ALGEMEEN

 

 

3+

 

TOTAAL GENERAAL

 

 

16+

Alleen de „+“ telt mee voor de totaal score.

BEOORDELING:      + GOED         +/- VOLDOENDE     - ONVOLDOENDE

 

In de laatste kolom staat het minimum noodzakelijke aantal „+“ om te kunnen slagen per categorie.

In de voorlaatste kolom minimum per onderdeel.


 

 

Waar moet U op letten  

 

Auto oefening;

Ø      Onveilige netten

Ø      Ramen voldoende open ;  drukopbouw wanneer het laatste portier dicht gaat, temperatuur opbouw.

Ø      Riemen af en meenemen om bij het uit de auto halen van de hond paraat te hebben.

Ø      Kooien vastzetten

Ø      Passend materiaal = geen te wijde halsband. Hond kan ergens aan blijven hangen en stikken.

Ø      Andere spullen in de auto die rondslingeren. Hond kan stikken.

Ø      Piepen en janken, blaffen. Hond mag aanslaan wanneer er een andere hond langsloopt, maar moet wel stoppen.

 

Hond uit de auto halen;

Ø      Veiligheid; let op de omgeving, eventueel de auto draaien met de veilige uitstapkant naar een berm enz.

Ø      Aanlijnen ; denk aan de lengte van de riem

Ø      Zo mogelijk de hond tussen de geleider en de auto

Ø      Denk bij het dichtslaan van portieren aan de staart van de hond!

Ø      Bij het afsluiten van de auto, niet de hond aan de trekhaak binden !  of hem aan iemand geven die nog het examenonderdeel moet doen.

 

Veldoefening; lopen aan de lijn = wandelen zonder trekken (hond mag niet hinderen)

Ø      Hond moet tijdens het parcours zitten op commando

Ø      Hond moet tijdens het parcours af op commando

Ø      Dit zonder aan de hond te zitten, wijzen en bukken mag eventueel wel.

Ø      Neem de ruimte bij een pion en laat de hond er niet op zitten / liggen.

Ø      Examenkandidaten met honden die op het veld staan worden tijdig gerouleerd.

Ø      Begroeten van de keurmeester; zonder tegen hem/haar aan te springen of ander hinderlijk gedrag te vertonen.

Ø      Ga niet extra ver van de keurmeester af staan met je hond en je arm extra uistrekken, de keurmeester normaal dichtbij benaderen.

Ø      Spelen met je hond; de geleider moet de aandacht van de hond kunnen krijgen door middel van spel, hij moet het spel ook kunnen beëindigen.

 

Uitlaten en wandelen;

Ø      De hond moet leren zijn behoefte te doen op commando.

Ø      Geleiders moeten een poepzakje (minimaal 1 ) bij zich dragen en deze ook gebruiken bij ongelukjes van de hond. Het poepzakje deponeren in de prullenbak en niet in de berm! Dit geeft een onvoldoende!  De geleider kan altijd een ander, extra  poepzakje aan de examenleiding vragen.

Ø      Het wandelgedeelte bestaat uit drie stukken van elk ongeveer 100 meter.

Gedeelte 1 een stukje wandelen , de hond mag hier niet zijn behoefte doen.

Gedeelte 2 een stuk waar de hond gestimuleerd mag worden zijn behoefte te doen.

Gedeelte 3 het laatste stuk waar de hond weer gewoon mee moet wandelen.

Ø      Tempo bij het wandelen is gewoon waarbij tijdens het 2e gedeelte waar de hond zijn behoefte mag doen het tempo iets mag zakken. De hond moet hier wel de gelegenheid krijgen.

 

Negeren van fietser en trimmer;

Ø      De trimmer en fietser komen 2 keer langs, eerst benaderen ze de combinatie van voren en daarna van achteren.

Ø      Ze komen langs de kant van de hond op ongeveer 2 meter afstand.

Ø      Een hond die “uitvalt”  dient correct gecorrigeerd te worden. De baas dient adequaat te reageren en eventueel te anticiperen op het gedrag van zijn hond. Correcties moeten effect hebben. Dit geeft dan nog een +/-. Het is ter beoordeling van de keurmeester, en hoe de geleider omgaat met zijn hond.

 

Hond vastbinden aan de paal;

Ø      Veilig voor de hond; Lengte van de lijn is de lengte van de rug van de hond

Hoogte van vastbinden is schofthoogte

Goede halsband, niet te groot, niet op slippen

Goed gedrag =  niet agressief of in paniek

Ø      Geleiders gaan helemaal uit zicht.

Ø      Neutrale vreemde hond komt 2 X langs (heen en terug) op 2 meter afstand

Ø      Wanneer een geleider een specifiek commando gebruikt zoals af of zit, dan wordt hier ook op gelet dat de hond zijn positie behoud. Makkelijker is dus een gewoon “blijf” commando waarbij het de hond vrij is elke positie aan te nemen.

Ø      Bij gebruik van een jachtlijn, dient de geleider tijdens de paaloefening de hond te voorzien van een halsband en gewone lijn.

 

Met de hond fietsen;

Ø      De hond loopt rechts aan de buitenkant van de weg

Ø      Veiligheid; hond niet in het gras laten lopen daar zie je niet wat er ligt (blikjes of glas)

Ø      Hoe hou je je riem vast? Opgebost en niet om je pols. De riem moet ongeveer 1,5 meter lang zijn.

Ø      De riem moet na opbossen zodanig van lengte zijn dat de hond niet voor het voorwiel kan komen of achter de fiets langs kan.

Ø      Springers zijn toegestaan mits aan de halsband van de hond ook een gewone riem zit die door de geleider wordt vastgehouden.

Ø      De hond mag ook aan de springer niet trekken.

Ø      De hond moet naast de fiets draven, het tempo moet per hond worden aangepast.

Ø      Bij kleine honden is een tuigje toegestaan. Het is veiliger omdat je de hond ermee kunt sturen en kunt voorkomen dat hij onder het frame van de fiets doorschiet.

Ø      De fiets (damesfiets) heeft bij voorkeur een terugtraprem. Bij een fiets met handremmen dient de linkerhandrem het achterwiel te remmen. Dit omdat de geleider de riem in de rechterhand heeft.

Ø      Eigen fiets en / of attributen van de geleider mogen indien veilig.

Ø      Er wordt maximaal 150 meter gefietst.

Ø      Bij gebruik van een jachtlijn of slipketting dient de geleider deze om te draaien bij de hond voor de fietsoefening,  daar de hond aan de rechterkant loopt naast de fiets.

 

Komen uit de groep;

Ø      Oefening gebeurt op het veld.

Ø      Andere combinaties lopen door elkaar, gedisciplineerd zodat de loslopende hond geen aansluiting vindt en geen aanleiding om vervelende dingen te gaan doen.

Ø      Hond eerst laten zitten , dan losmaken en daarna duidelijk vrij geven

Ø      De geleider mag maximaal 4 X roepen. Geen extra commando’s , armbewegingen of binnen loods praktijken zijn toegestaan.

  

Dierenarts 

Ø      Op tafel tillen;

Ø      Veilig en hondvriendelijk

Ø      Hond mag niet van of op de tafel springen.

Ø      Optillen; hand tussen de voorpoten door, alleen kleine en middenmaat honden. Grote honden alleen de voorhand.

Ø      Wanneer de eigenaar om hulp vraagt moet hij de 2e persoon duidelijk instrueren.

Ø      Beoordeelt wordt;    Het optillen

Staart optillen

Bek openen door eigenaar

Poten , bek aanraken

Oren laten kijken

 

 

Ø      Snuitbandje

Ø      Op de goede plaats; zover mogelijk naar voren , maar wel op het neusbeen.

Ø      De juiste knoop, moet gemakkelijk los kunnen

Ø      Het juiste materiaal, niet snijdend

Ø      Strak genoeg, de kaken moeten niet van elkaar kunnen

Ø      Denk aan een rustige trainingsopbouw.

Ø      Bij boxers, pekinees, buldog  met een veter.

Ø      De hond moet het toelaten en de eigenaar moet kunnen laten zien dat hij weet hoe het moet.

 

  

Ø      Borstelen.

Ø      Staande en liggend = flat

Ø      Op commando, niet manueel

Ø      Handhulp toegestaan

Ø      Ook onder de buik !

Ø      Voetzolen inspecteren

Ø      Gebruik van een kleedje onder de hond is toegestaan

 

  

Ø      Kluif loslaten

Ø      Kluif aan de hond geven, moet eetbaar zijn, mag ook Nylabone zijn

Ø      Keurmeester geeft aan wanneer de hond het mag aanpakken en af moet staan.

Ø      Mag ook met een commando vast - los

Ø      Hond moet soepeltjes loslaten

 

  

Ø      Voederbaktraining

Ø      Hond moet tot rust gebracht worden, bijvoorbeeld door te laten zitten.

Ø      Op aangeven van de keurmeester de voerbak neerzetten

Ø      Op aangeven van de keurmeester de hond toestemming geven tot eten.

Ø      Hand door de voerbak

Ø      Bak wegnemen

Ø      Bijvullen en terug zetten ; trainingstechnisch moet de hond dan weer gaan zitten en wachten op toestemming, op examen is dit de 2e keer niet verplicht!

Ø      Hond mag alles verder opeten

 

 

Ø      Restaurant training

Ø      Hond plaats leggen en houden, tot de keurmeester aangeeft dat het niet meer hoeft.

Ø      Eigenaar eerst door de deur  /  hek  ; elke keer dat je een deur of hek doorgaat!!

 

  

Ø      Algemeen

Ø      Gedrag t.a.v. andere honden en andere mensen wordt het gehele examen beoordeelt, als ook het gedrag van de geleider t.a.v. zijn eigen hond.

 

Eisen voor het certificaat Gehoorzame Hond II KNK Cynophilia  

 

            VELD
 
1.         Omcirkelen van 4 combinaties. (min. +/-)
De combinaties staan willekeurig opgesteld. De geleider omcirkelt al wandelend met de aangelijnde hond 4 andere combinaties. De hond mag hierbij niet op de andere honden reageren, zowel te sociaal als asociaal.
 
2.         Meelopen. (min. +/-)
Het meelopen wordt gedurende het hele examen beoordeeld, maar specifiek tijdens een parcours van tenminste 90 meter. De geleider dient met de aangelijnde hond een parcours te lopen, wat aangegeven wordt door de keurmeester. (De hond volgt niet, maar wandelt mee.) Het parcours bestaat uit tenminste een linksomkeert, rechtsomkeert en een rechtswending in willekeurige volgorde. De plaats waar de hond loopt is onbelangrijk, zolang de hond de geleider niet hindert. De lijn moet ontspannen zijn. Er mag tegen de hond gepraat worden. De hond mag dus niet constant aan de riem trekken, snuffelen of gecorri­geerd wor­den. Een paar correcties zijn toegestaan, maar moeten wel effect hebben. Tijdens het meelopen worden ook de oefeningen “zit”, “staan” en “af” getoond, eventueel bij markeringspunten. De hond komt een drietal platte ”borden” met worst, kaas en/of belegd brood tegen.
 
3.         Niet van de grond eten.
Op een drietal platte "borden" op de grond ligt worst, kaas en/of belegd brood. De borden staan op een onderlinge afstand van ongeveer 5 meter. De geleider met de aangelijnde hond loopt tijdens de oefening langs deze borden. De hond moet het voedsel negeren. De geleider mag door middel van aandacht vragen of praten, de hond langs het eten manoeuvreren. De geleider mag de hond elke keer (mondeling = nee) correcties geven, om te voorkomen dat de hond van het voedsel eet. Dit geeft wel een voldoende (+/-).
 
4.         Zit en omcirkelen.
Tijdens het meelopen moet de hond tot "zit" worden gebracht op een van tevoren door de keurmees­ter aangegeven plaats. De geleider mag de hond hierbij niet aanraken. Zodra de hond zit, gaat de geleider op riemafstand een rondje om de hond lopen. De riem mag vastgehouden worden. De hond dient te blijven "zitten" tot de geleider op teken van de keurmeester het commando opheft. Om een goed (+) te krijgen, gaat de hond op een mondeling commando zitten en blijft zitten tot de geleider het commando opheft en weer doorloopt.
 
5.         Staan en omcirkelen.
Tijdens het meelopen moet de hond tot "staan" worden gebracht op een van tevoren door de keurmees­ter aangegeven plaats. De geleider mag de hond hierbij niet aanraken. Zodra de hond staat, gaat de geleider op riemafstand een rondje om de hond lopen. De riem mag vastgehouden worden. De hond dient te blijven "staan" tot de geleider op teken van de keurmeester het commando opheft. Om een goed (+) te krijgen, gaat de hond op een verbaal commando staan en blijft staan tot de geleider het commando opheft en weer doorloopt.
 
6.         Af en omcirkelen.
Tijdens het meelopen moet de hond tot "af" worden gebracht op een van tevoren door de             keurmees­ter aangegeven plaats. De geleider mag de hond hierbij niet aanraken. Zodra de hond ligt, gaat de geleider op riemafstand een rondje om de hond lopen. De riem mag vastgehouden worden. De hond dient te blijven "liggen" tot de geleider op teken van de keurmeester het commando opheft. Om een goed (+) te krijgen, gaat de hond op een mondeling commando af en blijft liggen tot de geleider het commando opheft en weer doorloopt.
 
7.         Spel en 10 seconden aandacht. (min. +/-)
 De geleider speelt een trekspel met de hond, waarbij geleider en hond samen het speeltje vasthouden. (zie GHI). De geleider houdt met beide handen het speeltje vast en loopt versneld, met heen en weer gaande bewegingen, achteruit. De geleider dient het spel onder contro­le te hebben. Op aanwijzing van de keurmeester moet de hond op commando van de geleider het speeltje loslaten. De geleider beweegt dan het speeltje met beide handen omhoog tot minimaal borsthoogte en maakt oogcontact met de hond. De geleider houdt de aandacht van de hond vast. Hierbij mag gesproken worden. Op aanwijzing van de keurmeester gaat de geleider weer met de hond spelen. Om een goed (+) te krijgen, moet de geleider de volle 10 seconden de aandacht van de hond vast kunnen houden. De hond moet rustig zijn en de volle aandacht voor de geleider hebben en houden.
 
8.         Zitten en betasten. (min. +/-)
De aangelijnde hond krijgt de opdracht te gaan zitten. Waar de hond gaat zitten is niet belangrijk. De keurmeester vraagt of de hond betrouwbaar is. Zo niet, dan moet de geleider voor de hond gaan staan en de kop fixeren. Dit gebeurt door de wangen met een hand aan elke zijde van de kop, vast te houden met de ellebogen gestrekt en op slot. De keurmeester betast vervolgens de hond. De oren worden bekeken, de rug en de zijkant (ribbenkast) worden met een lichte druk geaaid, een voorpoot en indien mogelijk de staart opgetild. De hond moet dit rustig ondergaan. De geleider mag altijd de hond geruststellend toespreken.
 
9.         Gebit tonen voorzijde.
De geleider toont de voortanden van het gesloten gebit aan de keurmeester. De geleider mag geruststellend met de hond praten. De hond moet dit rustig toelaten, zonder de kop te schudden of terug te trekken.
 
STAD
 
10.      Vastleggen en blijven.
De geleider legt de hond vast (bijvoorbeeld aan een paal) en gaat uit zicht gedurende enige tijd (ongeveer 2 minuten). Indien er gebruik gemaakt wordt van een slippende halsband dient deze in de zogenaamde open stand omgedaan te worden. Het vastbinden geschiedt zodanig dat de hond kan gaan staan en liggen zonder verward te raken in de riem. De lijn dient niet strak te staan. Tijdens de oefening passeert een persoon met een rustige hond die niet tot de examengroep behoort, op een afstand van ongeveer 1 meter. Gelijktijdig lopen enige personen zonder hond maar met een boodschappentas op wieltjes en een opgestoken paraplu langs de groep. De hond moet al deze activiteiten in zijn buurt rustig toelaten. De hond mag niet constant piepen of blaffen.
De palen moeten zover uit elkaar staan dat de honden niet bij elkaar kunnen komen. Bij terugkomst kan de geleider de hond meteen losmaken van de paal en aangelijnd houden.
 
11.       Voedsel weigeren. ( min. +/- )
De geleider staat met de aangelijnde hond. Een persoon loopt op de combinatie af. Deze persoon biedt de hond een stuk worst aan. De hond mag de worst niet aanpakken. Het is de geleider toegestaan de hond mondeling te waarschuwen en te corrigeren.
 
12.       Fietsen.
De geleider dient circa 100 m te fietsen met de hond in draf rechts naast de fiets. De hond mag hierbij niet trekken of springen. De lijn dient in de hand te worden gehou­den. De lengte van de lijn moet zodanig zijn dat de hond niet voor en niet achter de fiets kan komen. Bij gebruik van een slippende halsband dient deze correct te zijn omgedaan. Het gebruik van een springer is toegestaan mits deze gelijktijdig met de normale lijn wordt gebruikt.
Tegelijkertijd komt uit tegenovergestelde richting een examencombinatie lopend de fietser tegemoet, aan de zijde van de hond. De hond van deze geleider loopt rustig mee. De honden passeren elkaar met ongeveer een twee meter tussenruimte. De honden moeten rustig doorlopen, zonder te reageren. Reageert één van de honden meerdere keren, zowel te sociaal als asociaal, op de andere hond, dan geeft dat een onvoldoende (-) voor oefening 19 gedrag. Alle combinaties worden om de beurt, in willekeurige volgorde, ingezet bij het meelopen langs de fietser.
 
13.       Apporteren.
De staande hond krijgt een voorwerp (een speeltje of apporteervoorwerp) voor de snuit aangeboden en moet dit vastpakken. De geleider mag hiervoor een commando gebruiken. Zodra de hond het voorwerp vast heeft, moet deze op commando gaan zitten. De geleider mag de hond aanraken en begeleiden tot zit, maar mag onderwijl het apporteervoorwerp niet vastpakken. Op aanwijzing van de keurmeester pakt de geleider het voorwerp aan van de hond, met gebruik van een commando.
 
14.       Roepen, 2 honden tegelijk. ( min. +/- )
De groep loopt rond en heen en weer op het midden gedeelte van het veld. Vier honden worden tegelijk losgelaten, zonder onder appel gezet te worden. Eventueel mag de hond door een ander dan de geleider meegelokt worden om de afstand te vergro­ten. De geleiders lopen na het vrij geven rustig tussen de andere geleiders naar een hoek van het veld. Op aanwijzing van de keurmees­ter, staan de geleiders stil en roepen ieder meteen hun hond. De hond dient vlot te komen om weer te worden aangelijnd. De oefening geschiedt terwijl de overige honden aangelijnd rondlopen. De geleider mag maximaal vier keer roepen of fluiten al of niet ondersteund met gebaren.
 
15.       Vrijgeven en bevriezen.
De geleider geeft de hond vrij en probeert 10 meter afstand te creëren tussen de hond en zichzelf. Op aanwijzing van de keurmeester, geeft de geleider de hond een commando om daar te blijven (bevriezen) waar de hond zich op dat moment bevindt; de houding is onbelangrijk. Bij voorkeur gebeurt het bevriezen in de beweging van de geleider af. De geleider haalt vervolgens de hond op.
 
 
            RESTAURANT / VISITE
           
16.      Binnenkomen.
Bij het betreden van het restaurant en het verlaten, dient eerst de geleider door de deuropening te gaan. De hond moet op commando wachten, totdat hij met toestemming door de deuropening mag gaan.
 
17.       Plaats leggen en blijven zonder geleider.
De geleider legt de hond op een niet hinderlijke plaats af, daar waar deze gaat zitten voor de theorietoets. Wanneer alle combinaties zitten, gaat om de beurt iedereen iets te drinken halen. Op aanwijzing van de keurmeester staat de geleider op om iets te drinken halen. De hond dient zich rustig te gedragen en op zijn plaats te blijven. Bij terugkomst gaat de geleider op zijn plaats zitten en mag de hond belonen. De hond moet blijven liggen.
 
18.       Plaats houden met afleiding.
Terwijl alle geleiders zitten en de honden liggen, komt een persoon met een aangelijnde hond binnen. Deze combinatie, niet tot de examengroep behorend, loopt langs alle combinaties met een maximale afstand van een meter. (Hierbij wordt een andere hond, dan die van oefening 10, ingezet). Na langs alle combinaties gelopen te hebben gaat de afleidende combinatie weer de deur uit. Het gedrag van de honden mag niet hinderlijk zijn. Vervolgens wordt de theorietoets afgenomen, waarbij de honden moeten blijven liggen.
 
 
            ALGEMEEN
 
19.       Gedrag van de hond. (min. +/-)
Het gedrag van de hond mag niet storend zijn. Zowel niet te sociaal als asociaal. Een hond die bijt of probeert te bijten wordt gediskwalificeerd.
 
20.       Gedrag van de geleider. (min. +)
Ruw gedrag door de geleider leidt bij herhaling tot diskwalificatie.
Indien tijdens het examen zich een onveilige situatie voordoet bijvoorbeeld een hond die tijdens een oefening los schiet, geeft dit een onvoldoende (-).
 
21.       Algehele verzorging. (min. +/-)
De hond dient er verzorgd uit te zien en in een goede algehele conditie te zijn; tanden en oren schoon, vacht geborsteld, nagels en voetjes zonodig geknipt. Ook dient de hond uitgelaten te zijn. Mocht de hond onverhoeds toch iets doen, moet de geleider op juiste wijze reageren (zie GH I).
 
 
            THEORIE
 
22.       Meerkeuze toets. (min. +)
Gevraagd wordt over de behandelde theorie, zie alle hoofdstukken. De meerkeuze toets bestaat uit 20 vragen. Waarvan er minimaal 16 goed moeten zijn (De theorie kan in bijzondere gevallen eventueel ook mondeling worden afgenomen. Dit dient men vooraf bij Cynophilia aan te vragen.)

           

SCORELIJST GEHOORZAME HOND 2

 

 

 

OEFENING

 

SCORE

MIN..

TOTAAL

VELD

Omcirkelen 2 combinaties

+

+/-

+/-

 

Meelopen

+

+/-

+/-

 

Niet van de grond eten

+

+/-

 

 

Zit en omcirkelen

+

+/-

 

 

Sta en omcirkelen

+

+/-

 

 

Af en omcirkelen

+

+/-

 

 

Spel en 10 seconden aandacht

+

+/-

+/-

 

Zitten en betasten

+

+/-

+/-

 

Gebit tonen voorzijde

+

+/-

 

 

 

TOTAAL VELD

 

 

7+

STAD

Vastleggen en blijven

+

+/-

 

 

Voedsel weigeren

+

+/-

+/-

 

Fietsen

+

+/-

 

 

Apporteren

+

+/-

 

 

Roepen 2 tegelijk

+

+/-

+/-

 

Vrijgeven en bevriezen

+

+/-

 

 

 

TOTAAL STAD

 

 

4+

RESTAURANT

Binnenkomen

+

+/-

 

 

Plaats leggen en blijven zonder geleider

+

+/-

 

 

Plaats blijven met afleiding

+

+/-

 

 

 

TOTAAL RESTAURANT

 

 

3+

ALGEMEEN

Gedrag van de hond

+

+/-

+/-

 

Gedrag van de geleider

+

+/-

+

 

Algehele verzorging

+

+/-

+/-

 

THEORIE

Toets (min. 16 goed)

Aantal ___________ goed

????

 

 

 

TOTAAL ALGEMEEN

 

 

2+

 

TOTAAL GENERAAL

 

 

16+

 

 

 

 

 

 





























BEOORDELING:      + GOED         +/- VOLDOENDE     - ONVOLDOENDE

 

In de laatste kolom staat het min.. noodzakelijke aantal + om te kunnen slagen per categorie.

In de voorlaatste kolom min. per onderdeel.

Examenreglement  Gehoorzame Hond I & II KNK Cynophilia

 
 A.        Aanvraag
 
1. Verenigingen, erkend door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, en verenigingen, aangesloten bij de Stichting Gedrag, Gehoorzaamheid en Behendigheid, kunnen een examen aanvragen bij K.N.K. Cynophi­lia, Hoofdstraat 248, 3972 LK Driebergen, info@cynophilia.nl
Aanvragen voor een examen dienen tenminste 6 weken voor de gewenste examendatum te worden ingediend.
 
2. De keurmeesters worden door Cynophilia uitgenodigd. Cynophilia informeert de vereniging daarover. Cynophilia bepaalt en draagt zorg voor de onkosten van de keurmeester.
 
3. De benodigde inschrijfformulieren worden aan de organiserende vereniging al dan niet digitaal beschikbaar gesteld. De wijze van inschrijving wordt gepubliceerd op www.cynophilia.nl
 
4. De kosten voor een examen cq. herexamen theorie worden jaarlijks door K.N.K. Cynophilia bepaald.
 
5. Examens kunnen gedurende het gehele jaar worden gehouden.
 
6.  In de regel vinden examens in het weekeinde plaats. Hierop kan slechts in overleg met Cynophilia worden afgeweken.
 
7. a.   Een vergunning voor een examen wordt verleend, indien het aantal inschrijvingen voldoet aan de volgende eisen:
                          *         minimaal 10 deelnemers;           
                          *         maximaal 15 deelnemers;
                          *         een combinatie van kandidaten voor een GH I en GH II, G&G B en/of G&G I examen behoort tot de mogelijkheden.
b.      Indien het minimale aantal van 10 deelnemers niet wordt gehaald, kan Cynophilia na overleg met de organiserende vereniging besluiten of het examen wordt afgelast.       
c.      Indien het maximale aantal van 15 deelnemers wordt overschreden, kan Cynophilia na overleg met de organiserende vereniging besluiten of het examen wordt uitgebreid danwel een zogenaamd dubbel examen moet worden georganiseerd.
d.   De besluiten genoemd in lid b en c vinden plaats op basis van een incidentele situatie, waarbij uitdrukkelijk wordt uitgesloten dat besluiten precedentwerking hebben.
 
 
B.        Deelnemers
 
8. De honden dienen op de dag van het GH I examen tenminste de leeftijd van 7 maanden te hebben bereikt. Voor GH II is een leeftijd van ten minste 12 maanden vereist.
 
9. De honden dienen geïdentificeerd te zijn conform de eisen die de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland daaraan stelt.
 
10. Het gebruik van parforce, prikkelbanden en/of andere dwangmiddelen is op generlei wijze toegestaan, ook niet als de stekels naar buiten wijzen.
 
11. Honden die aan de oren gecoupeerd zijn en die in Ne­derland gebo­ren zijn na 30 april 1989 of in het buitenland nadat aldaar een wettelijk coupeerverbod van kracht is gewor­den dan wel in het buitenland geboren zijn na 1 oktober 1996, mogen niet voor krachtens dit reglement gereglementeerde examens worden ingeschreven.
 
12. Honden, die aan de staart gecoupeerd zijn en die in Nederland geboren zijn na 31 augustus 2001, dan wel in het buitenland, nadat daar een wettelijk coupeerverbod van kracht is geworden, mogen niet voor krachtens dit reglement gereglementeerde examens worden ingeschreven.
Honden met geamputeerde staarten mogen deelnemen aan krachtens dit reglement gereglementeerde examens, mits deze amputatie het gevolg is van een medische noodzaak. De verklaring van de noodzakelijke amputatie dient door een praktiserende dierenarts schriftelijk in het Europees Dierenpaspoort te zijn vastgelegd. Hiervoor kan de pagina operaties gebruikt worden. De verklaring in het paspoort dient te zijn voorzien van de reden (medisch indicatie) en datum van de amputatie, alsmede een stempel met duidelijk vermelding van naam, adres en een originele handtekening van de dierenarts.
 
13. Honden die niet in een door de F.C.I. (Fédération Cynologique Internationale) erkende stamboekhouding zijn ingeschreven, worden voor de toepassing van bovenstaand artikel 11 en 12 geacht in Nederland te zijn geboren.
 
14. Cynophilia kan, in navolging van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland, bepalen dat honden die bepaalde kenmerken vertonen of tot een bepaald ras behoren, niet voor bepaalde krachtens dit reglement gereglementeerde examens mogen worden ingeschreven, indien dat uit veiligheids-, maatschappelijke of kynologische overwegingen gewenst is.
 
15. Honden die op de dag van het examen loops zijn, worden niet per definitie uitgesloten van het examen. De betreffende hond kan echter alleen aan het examen deelnemen, nadat alle andere (niet-loopse) honden zijn gekeurd.
De eigenaar van de hond heeft ook de mogelijkheid om in overleg met Cynophilia zonder extra kosten te kunnen deelnemen aan een volgend examen binnen zes maanden na de dag waarop het examen plaats zou vinden.
 
16. Aan het einde van elke oefening mag de geleider maximaal één versnapering aan de hond geven, waarbij deze versnapering alleen mag dienen ter beloning na afloop van de oefening en niet als hulpmiddel bij de oefening.
 
17. Gedurende de tijd dat de hond zich op het examenterrein bevindt, is de geleider aansprakelijk voor alle schade die de door hem geleide hond aanricht. Cynophilia noch de organisator of een namens deze optredende functionaris kunnen voor deze schade aansprakelijk gesteld worden.
 
18. Indien de eigenaar van een hond een cursus GH volgt bij een vereniging die niet voornemens is aansluitend aan de cursus een examen te organiseren, dan kan hij zich bij een andere vereniging, zoals omschreven in artikel 1, aanmelden met het verzoek aan een examen te kunnen deelnemen. Dit kan alleen met toestemming en onder voorwaarden van de organiserende vereniging. Een lijst met verenigingen die een examen organiseren, is beschikbaar op www.cynophilia.nl
 
 
C.        Examenorganisatie
 
19.  De organiserende vereniging zorgt voor een examenleider en een examensecreta­ris.
       De examenleider:
            *     is belast met de voorbereiding van het examen;
            *     zorgt voor een ordentelijk verloop van het examen;   
            *     geeft de aanwijzingen van de keurmeester door;      
            *     deelt de draagnummers uit en zorgt ervoor dat bij het onderdeel AUTO een kopie
                   draagnummer aan de auto wordt bevestigd;  
            *     controleert of de materialen die de examenkandidaten gebruiken aan de voorschriften
                   voldoen;   
            *     zorgt dat elke deelnemer gereed staat voor het betreffende examenonderdeel;           
            *     zorgt dat het benodigde materiaal, zoals tafels, op de juiste tijd en plaats beschikbaar is.
 
 
D.        Keurmeesters

20. Indien een aan de oren of staart gecoupeerde hond in strijd met de regels is ingeschreven, moet de keurmeester de betreffende combinatie alsnog uitsluiten van het examen.
 
21. Indien artikel 14 van dit reglement van toepassing is, sluit de keurmeester de betreffende combinatie van het (verdere gedeelte van het) examen uit.
 
22. De keurmeester moet een hond die bijt, of probeert te bijten, uitsluiten van verdere deelname aan het examen.
 
23. De keurmeester neemt een meerkeuze toets af.
 
24. De uitspraken van de keurmeester zijn bindend.
 
25. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist ter plekke de keurmeester. In alle andere gevallen beslist Cynophilia.
 
 
E.        Examenterrein
 
26. Het examenterrein, met een minimale afmeting van 25 x 40 meter, dient zich in een goede toestand te bevinden en een voor honden geschikte ondergrond te hebben .
 
27. De oefeningen met de auto kunnen op een geschikt parkeerterrein bij het examenterrein worden uitgevoerd.
 
28. De onderdelen dierenarts en verzorging moeten in de kantine plaatsvinden. Bij goed weer kan de keurmeester besluiten deze onderdelen buiten op het examenterrein te doen plaatsvinden. De eigenaren simuleren een wachtkamer door met de hond langs de kant te zitten wachten tot ze aan de beurt zijn. De wachtkamer wordt gesitueerd op een behoorlijke afstand van de plaats van de dierenarts.
 
29. De oefeningen in de stad kunnen in een rustige bebouwing plaatsvin­den, maar mogen ook op of in de nabijheid van het examenterrein worden gesimu­leerd.
 
30.  Als restaurant kan een gedeelte van een kantine worden gebruikt.
 
31. Voor de theorietoets dienen voldoende tafels en stoelen aanwezig te zijn, waarbij een en ander zodanig moet zijn ingericht, dat de deelnemers geen zicht hebben op elkaars verrichtingen.
 
 
F.         Materiaal
 
Iedere deelnemer heeft voor het examen nodig:
►     riem: een soepele lijn (geen ketting) van ca. 1.50 meter lengte al dan niet met halsband of
        slippende band;
►     speeltje: dit moet door geleider en hond samen vast te houden zijn, maar mag geen geluid maken;
►     poepzakjes;
►     snuitbandje van niet elastisch materiaal en niet “snijdend”;
►     tandenborstel of gaasje;
►     medicijn: een onschuldige pil, bv. Biergist;
►     handdoek;
►     borstel, deze mag niet vacht- of huidbeschadigend zijn;
►     voerbak en voer; de voerbak dient schoon te zijn;
►     apporteervoorwerp of speeltje.
 
Op het examenterrein dient aanwezig te zijn voor
 
GH I
*      trimmer;
*      (trim)tafel, deze dient stevig te zijn en +/- 70 cm hoog;
*      mogelijkheid om handen van de keurmeester te wassen;
*      damesfiets; (met goed functionerende terugtraprem);
*      personen met hond(en) niet tot de examengroep behorend;
*      examenreglement.
 
GH II
*      drie platte borden met extra worst-kaas-belegd brood;
*      worst;                                                      
*      damesfiets; (met goed functionerende terugtraprem); het gebruik van eigen fiets is toegestaan mits
       deze aan de veiligheidseisen voldoet;
*      personen met hond(en) niet tot de examengroep behorend;
*      een boodschappenkarretje op wieltjes;
*      examenreglement.


 
 

Theorie behorende bij het GHI programma

 

 

Wie is de baas?

 

De Roedel

 

Om een goede verstandhouding met uw hond op te bouwen dient u hem in zijn waarde te laten als hond; hij heeft geen menselijk verstand en kan geen zaken beredeneren. Sinds de wetenschap zich is gaan toeleggen op onderzoek van diergedrag is duidelijk geworden dat de hond anders reageert dan bijvoorbeeld een kind. Een hond handelt, net zoals zijn voorouders, de wolven, volgens zijn instinct en hij doet zoals hij doen moet, hij kan niet anders. De hond is niet in staat de mens als mens te behandelen; de mens moet de hond dus als hond behandelen. Om de verhouding tussen baas en hond te begrijpen zoals die door de hond wordt beleefd, moeten we gaan kijken naar zijn oorspronkelijke leefwijze. Bij de voorouders van de hond heeft elk dier zijn eigen plaats in de rangorde van de roedel. Een hogere plaats krijg je door die te bevechten of door het wegvallen van een ranghogere. Degene die daar het meest geschikt voor is, is de leider van de groep.

Deze handhaaft de orde,  inspraak is er niet. De andere wolven aanvaarden deze leiding en voelen zich daar veilig bij, daarom heerst er rust en orde in de roedel.

 

In de roedel van de hond, bestaande uit mensen en huisdieren, behoort ook de rust te heersen. De hond die u in huis hebt, gedraagt zich echter naar dezelfde wetten als zijn voorouders. Hij zal in de roedel, waarin hij als huishond terecht is gekomen, zich ook een plaats willen bevechten. Gelijke hoogte is bij honden niet mogelijk, hij bevindt zich ten opzichte van de mens in de UP-positie of de   down-POSITIE. Als wij echter als mens niet willen dat de hond bepaalt wat wij wel en niet mogen doen, moeten wij er voor zorgen dat de hond onderaan in de rangorde staat. In deze positie zal de hond zich niet alleen veilig maar ook prettig voelen. Door meer bewegingsvrijheid in de roedel, hij mag zich vrij in de huiskamer, bij mooi weer ook in de tuin bewegen, heeft de huishond zich een hogere positie verworven dan de hond van vroeger die er alleen maar voor de bewaking was of de jacht.

 

 

Mens als baas.

 

Krijgt de hond onvoldoende leiding, dan wordt hij onzeker en dat kan tot allerlei problemen leiden.

Vooral de meer dominante honden zullen hun kans waarnemen en proberen de leiding over te nemen in de roedel. Geleidelijk aan wordt hij steeds meer de baas door een langdurige opeenvolging van schijnbaar onbelangrijke gebeurtenissen. Op een gegeven moment verzoekt hij u niet meer om met hem te spelen; nee er moet met mij gespeeld worden.

 

Als pup nam hij al veel initiatieven; hij kwam regelmatig met zijn speeltje aandraven en u ging meestal even met hem spelen. Lukt het hem nu een keer niet u direct aan het spelen te krijgen, dan blijft hij net zo lang blaffen of zeuren totdat het hem wel lukt. Hij gaf ook al lang aan wanneer hij wenste te worden geaaid. Als klein bolletje wol kwam hij ’’s avonds gezellig tegen u aan liggen, gaf u een pootje en al televisie kijkend bleef u hem aaien tot hij in slaap viel. Had hij een keer geen zin om te worden geaaid dan liep hij gewoon weg. Hij wil nu (ouder geworden) nog steeds wel even worden aangehaald, maar niet altijd op het moment dat het u uitkomt; nee, als hij het zelf wil en liever ook niet zo lang. Duurt het te lang, dan gromt hij, blijft u doorgaan dan corrigeert hij u door te happen. Hij heeft ook favoriete plaatsen. Wordt er op de verkeerde plek geaaid, dan maakt hij dit direct kenbaar door te grommen of te happen. Bij het wandelen bepaalt hij de richting en het tempo en sleurt de ranglagere ”baas”, die braaf volgt, met zich mee. Worden de bevelen van de intussen ranghogere, noodgedwongen baas geworden, hond niet uitgevoerd, dan heerst er geen orde in de roedel en moet hij in grijpen. Hij waarschuwt eerst nog door te grommen, vervolgens dreigt hij door de lip er bij op te trekken. Heeft ook  dit geen effect, dan blijft er nog maar een ding over, hij moet harder corrigeren om de mens op de juiste plaats in de rangorde te krijgen. Hij kan dit maar op één manier, de hondse, en dat is bijten en dan is Leiden in last. Vaak moet hij dit bekopen met zijn leven, maar de fout lag niet bij de hond (die deed immers wat hij doen moest), maar bij de mens die hem geen leiding gaf. Wanneer we gaan zoeken naar een ideale verhouding tussen hond en baas, dan dient de hond altijd in de  down – positie te zijn en de baas altijd in de UP – positie.

 

 

Gedrag van de baas.

 

Zelfverzekerd gedrag

Uw stem en houding dienen zelfverzekerd gedrag uit te stralen. Laat duidelijk merken uit de toon waarop u iets zegt dat u meent wat u zegt: “foei” op bestraffende toon uitgesproken betekent direct ophouden met hetgeen waarmee je bezig bent en “braaf” is ook echt braaf. Het is meestal niet nodig om tegen de hond te brullen of te schreeuwen. Bij het bestraffen van de hond dient de stem laag te klinken en niet door spanning omhoog te schieten, want dan bereikt u het tegenovergestelde. Herhaal de commando’s ook niet eindeloos; als u het vandaag drie keer moet zeggen, moet het morgen waarschijnlijk vier keer en in de toekomst laat de hond u maar wat aan praten. Indien u aarzelend bent in uw optreden dan zal de hond dit feilloos registreren.

Hij zal meer durven en in een conflictsituatie winnen.

 

Neem, zo nodig een dominante houding aan; loop recht op. De ranghogere honden maken zich ook altijd groot als ze een hond, die lager in rang is, iets duidelijk willen maken. De staart staat recht omhoog en ook de oren staan, indien mogelijk, omhoog of naar voren. Ze maken zich ook zo groot mogelijk door recht op de poten te staan en de hals is gestrekt. Als u zittend de hond een commando geeft en de hond heeft maling aan u, ga dan staan.

 

Gedraagt u zich vooral rustig tegenover uw hond, veel hand en armbewegingen zullen al gauw als een signaal tot spel worden gezien. Zij stimuleren zijn bijtdrift. Ook de omgeving (druk en veel lawaai of heel rustig) is vaak bepalend voor het gedrag van de hond.

 

Consequent gedrag

Spreek met de huisgenoten af wat de hond wel en niet mag: het moet niet zo zijn dat de hond van vader en de kinderen wel op de bank mag omdat het zo gezellig is, en dat moeder het absoluut niet wil hebben. Dat brengt de hond in verwarring, er dienen regels en grenzen voor de hond te gelden. Consequent gedrag betekent ook; ja is ja en nee is nee en geen ja, maar.

Dus ook niet de ene keer de hond bestraffen  als hij iets steelt en de andere keer lachen; dat begrijpt hij niet.

 

Duidelijk gedrag

Gebruik voor een bepaald commando hetzelfde woord en gebruik het niet voor meerdere begrippen. Als u “af” zegt als u de hond wilt laten liggen, zeg het dan niet als de hond tegen u opspringt of van de bank af moet gaan. Gebruikt u het woord  “af” al voor andere doeleinden, zeg dan b.v. “down” om de hond te laten liggen. Als de hond spelenderwijs in handen of kleding bijt, verbiedt het hem dan; maak met een scherp “nee” of “foei” duidelijk dat u dit absoluut niet wilt. Belangrijk is dat deze woorden zowel op het goede moment als op de juiste toon worden gebruikt.

 

De wil van de baas is wet.

De hond moet een gegeven commando opvolgen, geeft u de hond het commando “zit”, dan moet hij gaan zitten en niet gaan liggen. Oost-Indisch doof zijn ……..  jammer voor hem, maar dat lukt niet.

 

Initiatief

In beginsel neemt de baas het initiatief tot activiteiten. Dit is van groot belang bij bepaling van de rangorde in de roedel. Let eens op hoeveel initiatieven sommige honden nemen!

Zonder dat u het merkt, stijgen ze enorm in rang.

 

Als uw hond alsmaar naar u toe komt en door poot of kop opleggen van u eist om geaaid en geknuffeld te worden, dan geeft u daaraan geen gehoor. De hond geeft u een  commando en als u dit opvolgt, wie is dan de baas? Laat de hond iets voor zijn aai doen, laat hem eerst gaan zitten en geef hem dan als beloning een aai. Het werkt naar twee kanten, u bevestigt uw rang en de aai behoudt zijn waarde. Waarom zou hij iets voor u doen als hij toch al de gehele dag door geaaid en geknuffeld  wordt? U kunt hem ook rustig wegsturen: “nee, niet zeuren”. Blijft hij doorgaan met zijn aandacht trekkende gedrag, bestraf hem dan met een scherp “foei”.

 

Komt de hond de gehele dag door met een speeltje in zijn bek naar u toe om samen te gaan spelen en u geeft hem alsmaar zijn zin om van het gezeur af te zijn, dan leert u de hond om u commando’s te geven. Bedank hem liever voor het brengen van zijn speeltje, maar ga niet op zijn uitnodiging in: “nee nu niet” en stop het speeltje weg. Als de hond wegloopt en in zijn lot berust, dan mag u best na een paar minuten al de hond  roepen om met hem te spelen als u daar ook zin in heeft. U heeft dan toch zelf het initiatief tot spel genomen.

 

Bedelt de hond en u geeft hem wat, dan krijgt de hond zijn zin. Komt hij met zijn riem of etensbak en u gaat met hem wandelen of geeft hem eten; alweer succes. U bepaalt wanneer er wordt gewandeld (zorg wel dat de hond voldoende beweging buiten  de deur of tuin) en wanneer er wordt gegeten. De baas ontneemt bij rangorde problemen de hond alle initiatieven.

 

Is de verstandhouding tussen u en de hond voor honderd procent goed, dan kunt u soepeler optreden en is het helemaal niet zo erg als u samen gaat spelen als hij degene is die u uitnodigt tot spel. Of als u hem zomaar eens spontaan over zijn bol aait en hem lekker knuffelt, omdat u hem wilt laten merken dat u van hem houdt.

 

Belonen en straffen

Probeer uw hond op een positieve manier op te voeden. Nogmaals het is voor een hond heel belangrijk om geprezen en beloond te worden  voor het goede gedrag. Hij zal niet allen dit gedrag graag herhalen, het geeft hem ook zelfvertrouwen. Belonen dient het belangrijkste deel van de opvoeding uit te maken, straf dient zoveel mogelijk vermeden te worden. Wat moet wordt door de baas prettig gemaakt, door er iets fijns aan te verbinden: vriendelijke  stem, aai, even fijn spelen of iets lekkers. Wat niet mag, daar legt de baas een taboe op, door er iets onprettigs aan te verbinden: strenge, boze stem, een scherp “foei”. Zonodig wordt hij hierbij over de bek gebeten door zin snuit met uw hand te omvatten en daar zachtjes in te knijpen, of hij wordt bij zijn bakken(wangen) gepakt en strak aangekeken. De hond laten schrikken door middel van een straaltje uit een waterpistool of door iets naar hem te toe gooien, kan evenals het even  uit de roedel zetten, grote indruk op de hond maken. In uitzonderlijke gevallen, als hij het al te bont heeft gemaakt, een greep in de nek om hem op de grond te drukken in een ondergeschikte positie(in een groep {cursus} werkt dit vaak niet). Is de straf niet effectief, dan moet deze duidelijker zijn. Beloon en straf op het juiste moment, dus direct na het uitgevoerde gedrag. Doet u het later dan legt de hond geen verband meer tussen de beloning en zijn goede gedrag of de terechtwijzing en zijn “misdaad”.

 

 

Bevestiging rangorde

 

Opvoedingsoefening

Een prima manier om uw rang te bevestigen zijn de  opvoedings- of basisoefeningen.

Bij welk commando dat de hond opvolgt, onderwerpt hij zich aan zij ranghogere baas. Geef hem niet zo maar gedachteloos een commando zonder op te letten of hij het uitvoert.

Voert hij het niet uit en u merkt het niet omdat u allang weer met iets anders bezig bent, dan verliest u een stuk gezag in de ogen van de hond. Er zijn een paar oefeningen, die iedere hond moet kunnen beheersen om een niet-storende hond in de mensen maatschappij te zijn.

 

Zitten, liggen, blijven, komen als hij wordt geroepen, en zonder trekken aan de lijn lopen.

 

Het bij u  komen als u hem roept. Iedere keer dat de hond het verzoek opvolgt, is een bevestiging van uw rang. De ranglagere gaat in dit geval naar de ranghogere toe.

Zorg er dus voor dat hij altijd komt als u roept. Het bij u komen dient ook altijd prettig te zijn voor de hond; u mag best een extra hulpmiddel gebruiken in de vorm van een brokje of een speeltje waar hij dol op is. Beloon hem altijd, straf hem nooit als het wat lang duurt.

De hond heeft uiteindelijk  het bevel opgevolgd. Straft u hem toch, dan weet hij niet beter dan dat hij wordt bestraft voor het komen. U begrijpt dat het de volgende keer nog langer duurt voordat hij komt (u heeft hem immers geleerd; komen is niet leuk).

 

Het meelopen zonder trekken is een andere oefening. Trekken aan de lijn is dominant gedrag: u volgt immers uw hond en bent dan ranglagere. Een pup dient u al te leren om zonder trekken mee te gaan wandelen: u bepaalt het tempo en de richting. Wil de hond naar rechts en sleept hij u mee, ga dan eens naar links; wil hij de hoek ga dan rechtdoor. Leer de hond op u te letten i.p.v. andersom. Ga zelf altijd als eerste de deur uit.

 

Het leren zitten “zit”, liggen “af “ en blijven “blijf” zijn niet alleen rangorde bevestigend, het brengt ook rust in de hond. Bovendien leert u de hond goede gewoonten aan en u hebt controle over de hond.

 

Ook hier geldt: vergeet nooit de hond onmiddellijk te belonen voor het goede gedrag.

 

Spelen

Als u een goede relatie met uw hond wilt opbouwen, speel dan veel met hem. In het spel met de hond kunt u al spelenderwijs laten merken wie er de baas is. U bepaalt het begin, het einde, maar ook de manier waarop er wordt gespeeld.

 

Ga niet steeds wilder spelen, vooral dominante honden hebben de neiging een rangorde strijd met u aan te gaan tijdens het spel.  Ga niet op de grond liggend met hem spelen, u begeeft zich in een, voor de hond in een ondergeschikte houding. Laat de hond niet boven op u staan of liggen, blijf altijd met uw hoofd boven zijn hoofd. Pak hem tijdens het spel eens speels over de snuit, de hond ervaart dit als een vriendelijk maar dominant gebaar, of duw hem eens van u weg. Laat de hond bij trekspelletjes niet winnen, d.w.z. u heeft de lap vast en houdt hem vast. Als de hond niet op commando los laat, doe dan geen trekspelletjes, want u verliest gezag in de ogen van de hond. Ook tijdens spel mag de hond niet in de handen, benen, kleding en schoenen bijten. Is de verhouding tussen u en uw hond goed, d.w.z. u bent de baas, dan mag u hem best wel eens laten winnen tijdens het spel, dat houdt de spanning erin. Voor een onzekere of angstige hond is het zelfs aan te raden hem af en toe eens te laten winnen gedurende het spel, niet alleen omdat het daardoor spannender wordt, maar ook om hem wat meer zelfvertrouwen te geven. Het laatste spelletje wint u echter altijd zelf: “zo genoeg” en u bergt het speeltje weer op.

 

Apporteer - en zoek spelletjes zijn alleen leuk, maar ook goed als dominantie onderdrukkers.

De lagere in rang zoekt of haalt het voorwerp op en geeft het af aan de ranghogere.

 

Borstelen

Als u uw hond borstelt en de hond gromt (vaak met zijn staart omhoog) of hij loopt weg en u stopt met borstelen, dan heeft de hond gewonnen: het borstelen is voor sommige honden een aanslag op hun dominantie. Bovendien wordt de persoonlijke zone, die ieder levend wezen om zich heen heeft (tot zover en niet verder) doorbroken. Heeft uw hond moeite met het borstelen, begin dan bij een plaats waar hij nog geen verzet toont (dit is meestal de schouderstreek en de rug), en probeer met een voortdurend “braaf” de grenzen te bepalen waar u wel en geen verzet ontmoet. Probeer eerst deze grenzen te verleggen om ze vervolgens geheel uit te wissen. Ook de binnenkant van de poten en de onderkant van de voetzolen moeten betast en schoongemaakt kunnen worden. Laat hem tijdens het borstelen eens op zijn zij of rug rollen, hij verkeert dan in een ondergeschikte positie en u kunt zijn buik borstelen. Borstel uw hond iedere dag, niet zozeer voor de vacht, maar omdat het rang bevestigend is. Uw hond moet u altijd toestaan dat u hem verzorgt. U kunt hem gelijktijdig allerlei opdrachten geven: “staan”,” af”, “op je rug” en natuurlijk “braaf” als hij die opvolgt. Probeer pijnervaringen in het begin te voorkomen, borstel hem met een zacht baby borsteltje.  Ga geen harde strijd  met hem aan, die zou u kunnen verliezen. Bepaal echter wel zelf wanneer de hond klaar is en dat is altijd op een moment dat de zich niet verzet.

Heeft de hond genoeg vertrouwen in u opgebouwd, dan komt dat uw relatie met hem ten goede.

 

Heeft u een hond, die vanwege de vacht niet mag worden geborsteld, betast hem dan, dat wil zeggen doe al deze handelingen met uw handen.

 

 

De dagelijkse praktijk

 

Eigen plaats

De hond dient een vaste plaats in huis te hebben, dichtbij zijn roedel (het gezin), maar uit de loop. Het moet een plek zijn waar hij zich veilig voelt en waarin hij zich altijd kan terug trekken als hij daar behoefte aan heeft. Soms stuurt u hem er zelf naar toe, bijvoorbeeld tijdens uw maaltijd. Hij leert zo om niet te bedelen, en het is bovendien rangbevestigend.

U wilt dat hij daar blijft en de hond voert uw opdracht uit. Let erop dat hij deze plaats niet als zijn territorium beschouwt en gaat verdedigen. Hij mag nooit voor straf naar deze plaats worden gestuurd of op deze plaats worden gestraft.

 

Als de hond ergens in de weg ligt, ga dan niet in een boog om hem heen, maar stap over hem heen of geef hem bevel opzij te gaan.

 

Reukvlaggen

Reukvlaggen dienen niet te worden uitgezet. U geeft aan wanneer er word geplast. Het pootje optillen tegen elk boompje, paaltje of struikje als u met de hond loopt, wordt niet toegestaan. Gewoon doorlopen, en op een door u te bepalen plaats geeft u de hond toestemming zijn behoefte te doen.

 

Eten, speeltjes

Etensbak, speeltjes en kluif dienen altijd afgepakt te kunnen worden. Als u dit op een prettige manier aanleert is de hond niet meer geneigd zijn bak te verdedigen uit voernijd.

Doe het eten niet in een keer in zijn voerbak, maar doe er eerst een klein beetje in. Als het op is, later als het bijna op is, pak dan zijn bak en vul hem opnieuw. De hond leert op deze wijze dat het wegnemen van de voerbak niet erg is. Integendeel, er komt juist meer bij, soms zelfs iets dat extra lekker is. Zo ook met de kluif. Heeft uw hond er moeite mee, geef hem dan bij het aanleren eens na het commando “los” een kluif, die lekkerder is en ruil het speeltje voor een brokje. Ook hierbij gelijktijdig het commando “los”.

 

Leer de hond netjes te gaan zitten en wachten als u zijn eten klaar maakt. Dit bevordert de rust in uw hond en bovendien kunt u zonder omver te worden gelopen de voerbak neer zetten. Pas op uw commando mag de hond gaan eten.

 

Optillen

Het optillen van de hond is een dominant gebaar. Is de hond te groot, dan strengelt u de vingers onder de borst van de hond ineen en tilt alleen de voorpoten van de grond. Zo sterk ben ik en in de ogen van de hond bent u beslist een superhond. Wen uw hond eraan dat u uw hand op zijn hoofd legt, dat uw hand van bovenaf zijn snuit omvat of dat u op zijn schouders kunt drukken zonder dat dit verzet oproept.

 

Rijden

In de meeste gevallen is ook het rijden van de hond een dominant gebaar. Sta nooit toe dat de hond op de mens rijdt. Ook het pootje optillen tegen de baas mag uiteraard niet.

 

Gunsten

Verbied, bij rangordeproblemen, de hond reeds toegestane gunsten. Laat hem niet meer in de slaapkamer, laat hem nooit meer op de banken, bedden of op schoot komen. Het toestaan van deze zaken brengt hem immers op gelijke hoogte met de mens en dat bevordert de dominantie en daardoor het bijten.

 

Bezoek

Sluit de hond nooit weg als er bezoek komt. Hij zou agressief tegen die, in zijn ogen nare, bezoekers kunnen worden. Leer hem zich te gedragen. De hond bepaalt niet wie wel en niet op bezoek mag komen. Blaffen, als er wordt gebeld mag. Door blaffen na het commando “genoeg” mag niet. Aan een stuk door aandachttrekkend gedrag vertonen (piepen, zeuren, janken en blaffen) mag ook niet. Bij het opvoeden van uw kinderen leert u ze ook u niet alsmaar te storen als u in gesprek bent met anderen. Beloon dit foutieve gedrag van de hond vooral niet door de hond gerust te stellen met het kalmerend woord “rustig” en hem daarbij ook nog over de kop te aaien, maar zeg op bestraffende toon “foei”. Beloon (“braaf”) als de hond goed reageert en stopt met het ongewenste gedrag. Stuur de hond daarna rustig naar zijn plaats, niet voor straf, maar om rust in hem te brengen. Hij mag best iets hebben om op te kauwen, moet daar echter wel blijven. Pas op uw seintje mag hij daar vandaan.

 

Achter u aanlopen

Laat de hond niet de hele dag achter u aanlopen. Vooral een wat onzekere hond wil graag bij u in de buurt blijven. Als het dan een keer niet kan en u gaat weg zonder de hond, is hij gefrustreerd (mee willen, maar niet mee kunnen). Hij kan dit uiten door bijv. te gaan vernielen (druk met iets bezig zijn om dat nare, onveilige gevoel van helemaal alleen zijn maar niet meer te voelen). Hij zou ook kunnen gaan blaffen en /of janken(ik ben hier, waar ben jij?) of emotioneel zo opgewonden kunnen worden dat hij van pure ellende weer onzindelijk wordt. Leer hem als u thuis bent al om wat zelfstandiger te worden en bouw het alleen zijn op.

 

Kinderen

Laat honden en kleine kinderen niet alleen. Vooral “kruipkinderen” komen vaak bedreigend over. Een hond recht in de ogen kijken en op hem toelopen ziet hij als een teken van agressie. Als de hond hapt, omdat hij in het nauw gedreven is en het kind schrikt, huilt en trekt zich terug, dan heeft de hond gewonnen.

 

Vaak zult u uw hond in bescherming moeten nemen tegenover kleine kinderen. Leer ze dat ze de hond niet storen op zijn plaats, niet kraaiend achter de hond aan blijven lopen, geen speelgoed naar hem toe gooien, de hond niet aan de oren trekken of in de ogen prikken, dat ze een slapende hond niet wakker maken, etc.

 

De meeste honden zijn erg tolerant t.o.v. kleine kinderen, maar er kan een communicatiestoornis optreden, omdat ze elkaars gedrag niet begrijpen en dat kan hele nare gevolgen hebben. Leer uw kinderen respect te hebben voor de hond. Leer ze dat het een dier is en geen speelgoed. Leer ze ook dat ze geen vreemde honden mogen aaien. Laat jonge kinderen nooit de hond uitlaten. Aan de lijn gedraagt de hond zich anders dan als hij vrij loopt, bovendien ziet hij het kind vaak als een ranglagere en zal deze tegen wie of wat ook willen verdedigen. Komt het tot een vechtpartij dan zit uw kind ertussen.

 

 

Het resultaat

 

Niet opgevoed

Een onopgevoede hond is een gevangene van zijn omgeving.

 

Hij mag niet los, want hij komt niet.

Hij trekt zo, dus de uitlaatbeurt wordt steeds korter.

Mee in de auto gaat niet, hij is alsmaar in beweging, piept en blaft, dus dat is ook al geen lolletje.

Gezellig mee op bezoek is niet mogelijk en als er bezoek komt, wordt hij ergens opgesloten, want hij gedraagt zich niet.

Omdat hij zijn energie niet kwijt kan en zich verveelt, verzint hij allerlei zaken om toch nog maar een beetje plezier in zijn leven te hebben op een voor u meestal niet prettige wijze.

 

Wel opgevoed

Dit is dus een hond, die zich in een ranglagere positie bevindt ten opzichte van de mensen en daar voelt hij zich zowel veilig als prettig. 

 

Hij mag altijd los om met u of andere honden te spelen.

Is dit moeilijk omdat hij sommige honden niet aardig vindt, geen probleem, want hij komt als hij geroepen wordt.

Hij mag ook mee op bezoek, naar een restaurant, op vakantie, hij mag en kan overal bij u zijn.

 

Baas en hond beleven veel plezier aan elkaar; ze werken, spelen, wandelen, doen van alles en nog wat samen.

 

Het zijn de allerbeste “vrienden” en ze genieten van elkaar.

 

Besef dat u een goed opgevoede hond veel vrijheid geeft !!

 

 

 

Gedrag

 

Een hond is een hond, is een hond, is een wolf, maar geen mens!

 

 

Om een hond op te voeden tot een prettige kameraad en roedelgenoot is het een eerste vereiste dat men zijn gedrag begrijpt. Een hond denkt niet als een mens en zal dit ook nooit kunnen. Hij kent zoals de mens emoties, gevoelens van lust en onlust, maar hij is niet in staat om zaken te beredeneren. Hij reageert direct op prikkels. Op prikkels van binnen uit, als hij bijvoorbeeld slaap, honger, of dorst heeft; op prikkels van buiten af door te reageren op dingen die hij ruikt, hoort, ziet, voelt of proeft. Daarin zijn wel variaties mogelijk, hij reageert niet altijd hetzelfde. De ene keer is een bepaalde geur belangrijk, een andere keer laat hij diezelfde geur de geur en reageert op iets wat hij hoort, bijv. de stem van de baas die hem roept.
De prikkel, komend van de baas, is in dit geval voor de hond het belangrijkst. Is de verstandhouding tussen beiden minder goed, dan heeft hij maling aan de baas en blijft lekker snuffelen.
 
Inwendige prikkels kunnen ook de motivatie bepalen om ergens op te reageren. Als de hond een bak met water ziet en hij heeft geen dorst, dan zal hij niet gaan rinken. Als de hond bang is, is dat een seintje voor sommige hormoonklieren om stoffen af te geven aan het bloed die het lichaam direct gereed maakt te reageren.
Hij zal dan actie ondernemen en het hangt van de omstandigheden af of hij zal luchten of uitvallen.
 
Omdat de hersenschors bij de mens groter en meer ontwikkeld is dan bij de hond en juist in dit deel van de hersenen het vermogen ligt tot redeneren, vooruit denken (plannen), het geheugen en het taalgebruik volgt hieruit dat de mens zowel kan reageren met het gevoel (op menselijk niveau te vergelijken met de hond) als met het verstand. Hij kan dus, in tegenstelling tot de hond, van tevoren bedenken wat hij in een bepaalde situatie gaat doen of zeggen. De mens kent bovendien het verschil tussen goed en kwaad en begrijpt regels. Men kan honden regels leren, maar het uitleggen waarom hij zich aan een bepaalde regelmoet houden is niet mogelijk. Mens en hond kunnen heel goed samen leven en veel plezier aan elkaar beleven; het zijn echter twee heel verschillende wezens met hun eigen reacties op prikkels uit de omgeving.
 
Alhoewel de hond afstamt van de wolf lijkt hij, enkele rassen daargelaten, heden ten dage qua uiterlijk niet of nauwelijks meer op de wolf. Qua innerlijk, zijn zijn instincten in wezen niet anders dan die van zijn voorouders, de wolven. Het verschil is, dat de mens bij de verschillende rassen geselecteerd heeft op gewenste gedragseigenschappen, waardoor de ene hond bijvoorbeeld meer geschikt is om mee te jagen, de andere om het territorium te bewaken en een volgende om een kudde te verdedigen tegen roofdieren. Door domesticatie (huisdier-wording) en selectieve fokkerij zijn uit de allrounder, de wolf, specialisten ontstaan in de vorm van vele hondenrassen. Met dit aangeboren gedrag hebt u te maken als u de hond iets wilt leren, hem wilt opvoeden.
Wolven leven in roedels met een rangorde-structuur. In de groep is één de leider, deze bepaalt wat er gebeurt. Hij geeft aan wanneer en hoe er gejaagd wordt en hij leert de jonge dieren wie de baas is. Veel roedelleden streven naar een zo hoog mogelijke rang, omdat dat voordelen opleveren; het beste voedsel, de beste slaapplaats. Bovendien heeft een ranghogere wolf meer succes in de voortplanting dan een ranglagere, die daar de kans meestal niet voor krijgt. Om een bepaalde positie te verwerven wordt er niet op leven en dood gevochten, dat zou niet in het belang van de instandhouding van de soort zijn. Alle leden van de roedel hebben elkaar nodig, omdat er meestal op groot wild wordt gejaagd. Door de stand van de oren en de staart, geluiden en door hoge en lage lichaamshoudingen worden de meeste problemen opgelost. Wolven zijn sociaal levende dieren met een groot leervermogen.
 
De combinatie van intelligentie, behoefte aan genegenheid en sociaal gedrag heeft de hond in de loop der jaren tot een fijne partner van de mens gemaakt. Hij denkt en voelt echter nog steeds als zijn voorouders. Ook veel honden streven in een menselijke roedel een zo hoog mogelijke positie na, alhoewel niet bij alle rassen of per hond even duidelijk naar voren komt. Hij begrijpt in elk geval niets van een antiautoritaire opstelling van de baas. Eén moet de baas zijn en als de mens dat niet op zich neemt, niet kan of wil (in dit laatste geval een verkeerde democratische instelling), dan neemt de hond deze plaats in, anders fungeert de roedel niet, hij kan niet anders. Het gevolg is dat hij dan ook het recht heeft verworven om de( in zijn ogen) lager in rang zijnde mens te corrigeren als hij dit nodig vindt. Dit doet hij door te grommen en / of te bijten als hem iets niet bevalt. Te grote vrijheid van de hond, te weinig leiding leidt maar al te vaak tot een lijdensweg voor de mens en de hond. De hond verliest het in zo’n situatie altijd, hij vertoont “vals “ gedrag of heeft een “onbetrouwbaar karakter” en hij maakt uiteindelijk zijn laatste gang naar de dierenarts. Hij is slachtoffer van onwetendheid of laksheid van de mens.
Degene die de leiding geeft in de mens/hond roedel moet dus nooit de hond zijn, maar de mens. In een gezin functioneert de hond het beste als laagste in rang. Het is daarom belangrijk dat er afspraken worden gemaakt, wat de hond wel en niet mag. Ieder lid van de roedel moet zich houden aan deze afspraken, dat is voor de hond duidelijk. Een goede leider is ook consequent, dus niet de ene dag wel op de bank en de andere dag niet. Een goede leider (mens) imponeert door de houding en stem. Hij loopt niet de hele dag door te grauwen en te snauwen en boos te zijn, integendeel; hij is rustig met een groot geestelijk overwicht. Hij respecteert de hond in zijn hond-zijn en probeert door zijn manier van om gaan met de hond zijn vertrouwen te winnen.
 
Opvoeden moet. De druk op hondenbezitters is de laatste jaren steeds groter geworden en zal nog toenemen in de komende jaren. De meest voorkomende problemen zijn de loslopende honden, de hondenpoep, blaffende en bijtende honden. Er komen steeds meer regels, zoals aanlijn geboden, hondenbelasting, vaak veel te kleine of helemaal geen losloopgebieden. Er wordt de hond veel vrijheid ontnomen. De oorzaak van de problemen wordt door al die maatregelen echter niet aangepakt. Natuurlijk zijn loslopende honden een gevaar in het verkeer, met vaak een fatale afloop voor de hond, en eventueel gewonde of ernstig geschokte mensen. Bovendien krijgen deze honden de kans overal hun ontlasting te deponeren. Een hond kan gemakkelijk leren op een bepaalde plek zijn behoefte te doen. Dat moet niet op een trottoir of midden op een grasveld zijn, maar in de bosjes of helemaal aan de rand van het grasveld, als het niet anders kan. Dit is even een kwestie van een hoopje oppakken en daar naar toebrengen waar hij het in het vervolg mag doen. De volgende keer wordt hij daar naar toegebracht, ruikt zijn eigen geur, wat hem stimuleert het daar weer in de buurt te doen. Als de geleider hem hierbij een commando geeft, bijvoorbeeld, “hoopje” of “in het bosje”, dan leert hij bovendien om, als hij moet, het op commando te doen. Is het, na verloop van tijd( zes weken), een gewoonte geworden om zich in de bosjes te ontlasten, dan zal hij loslopend in een vreemde (doch veilige) omgeving, op eigen initiatief ook de bosjes opzoeken. Kent hij intussen het commando “hoopje”, dan is het mogelijk om de hond zich eerst te laten ontlasten op een daarvoor bestemde plaats, voordat hij mag spelen. De problemen blaffen en bijten zijn vaak op te lossen als er iets aan de oorzaak wordt gedaan. Als de hond als een klein mensje wordt opgevoed kunnen er ook grote problemen ontstaan. We kunnen de hond niet vragen een beetje mens te worden om ons te begrijpen, daarentegen zou de mens wel een beetje hond kunnen worden. Dit betekent niet dat u nu direct op vier poten moet gaan lopen, maar wel meer “honds” moet gaan denken. Als u uw hond behandelt, zoals hij verwacht behandelt te worden, dan zult u merken dat opvoeden helemaal niet zo moeilijk is en de oorzaak van veel problemen wordt weggenomen.
 
Ontwikkelingsfasen.
Het sociale gedrag van honden is niet aangeboren, het is wel in aanleg aanwezig, maar het moet door leerprocessen ontwikkeld worden. De hond krijgt, net als de mens, bij de geboorte bepaalde eigenschappen mee; de zogenaamde erfelijke eigenschappen, die van invloed zijn op zijn gedrag. Daarnaast doorloopt de hond, voordat hij volwassen is, een aantal ontwikkelingsfasen die minstens evenveel invloed uitoefenen op zijn latere gedrag.
 
1. Neonatale of eet- en slaapfase (geboorte tot ongeveer 2 weken).
In deze periode doet de pup niets anders dan groeien, slapen, drinken, wat rond kruipen om de tepel te vinden en zich te ontlasten. De moeder masseert door likken de buikjes van de pups om het ontlasten te bevorderen. Om warm te blijven kruipen ze dicht tegen elkaar aan (het zogenaamde contact-liggen). Er is verder nog geen sociaal contact tussen de pups onderling. De pup is bij de geboorte nog niet af; de hersenen zijn nog niet helemaal ontwikkeld, de oogjes en de oortjes zijn nog dicht, hij ziet en hoort niets. De pup kent in deze periode ook nog geen angst.
Reuk, tast- en temperatuurzintuigen werken al wel, daarom is het belangrijk de pup iedere dag in de handen te nemen om hem vertrouwd te maken met de menselijke geur. Verder kan hij ook piepen. Als hij te ver van zijn nestgenoten is verwijderd, hun lichaamswarmte niet meer voelt, piept hij erbarmelijk, waarop zijn moeder direct reageert, hem oppakt en weer terug brengt. Ongeveer de 12e of 13e dag gaan de oogjes open, de pup kan echter pas rond de 18e dag zien. Omstreeks die tijd gaan ook de oortjes open en het reukvermogen ontwikkeld zich verder.
 
2. Overgangsfase (2-3 weken)
De pup ontwikkelt zich nu snel, met het ontwikkelen van de hersenen en vanaf het moment dat hij ziet en hoort, begint hij op zijn omgeving te reageren. Hij kan nu ook op zijn pootjes staan en lopen. Vanaf de 20e dag komen de tandjes door.
 
3. Primaire socialisatiefase (einde derde week tot ongeveer 12 weken).
Een zeer belangrijke periode in het leven van de hond, waarin hij allerlei ervaringen opdoet, maar dit ook op moet doen omdat dit van groot belang is voor zijn gedrag op latere leeftijd. In deze periode leert wie en wat hij zelf is en wie zijn soortgenoten zijn. Hij bindt zich als het ware aan deze wezens en zal daar later normaal mee omgaan en ze bijvoorbeeld niet als prooi beschouwen. De vierde t/m de zevende week wordt door sommige wetenschappers ook wel inprentingfase genoemd, andere denken dat de inprenting maar een paar dagen duurt. Het is in ieder geval, een gevoelige periode waarin de pup vooral vertrouwt raakt met zijn directe leefsituatie. In deze, maar zeker ook in de tweede fase die van 7 tot ongeveer 12 weken duurt, is de pup zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken.
Hij zal dan ook veel contact met mensen moeten krijgen, zodat hij de geur van mensen goed in zich op kan nemen om ze ook als soortgenoot te leren kennen.
Het is gebleken dat in deze periode alle indrukken die de pups opdoen in het geheugen wordt opgeslagen, het kan later moeilijk worden ingehaald. Puppies worden dus in contact gebracht met verschillende mensen; kleine, grote, oude, jonge, met bril, gekleurde, blanke met een stok. Kinderen worden door hun gedrag als andere wezens beschouwd dan volwassenen, het is noodzakelijk dat hij daarom met zowel drukke, als rustige kinderen in aanraking komt. Maar ook met verschillend uitziende hinden, andere dieren, dingen en allerlei geluiden, zoals van de stofzuiger, telefoon, bel, vallende voorwerpen, piepgeluidjes, knalletjes en dergelijke. Omdat de pups in deze periode zo leergierig en nieuwsgierig zijn proberen ze van alles en nog wat uit, ze onderzoeken alles en op bijna alles wordt gekauwd. Ze besnuffelen elkaar, maar ook de omgeving, waardoor ze deze leren kennen. Er wordt veel gespeeld met de nestgenootjes; het prooibesluipen, doodschudden, rangorde spelletjes, paringsgedrag. Ze leren bovendien de grenzen van het spel kennen en leren iets over de kracht van hun eigen kaken. Alles wordt spelenderwijs geoefend en geleerd in deze periode. Alle beleefde ervaringen worden op latere leeftijd als doodgewoon beschouwd.
 
Pups die in deze fase geïsoleerd opgroeien, geen of weinig contact met andere honden hebben gehad, zullen later altijd problemen hebben om in andere honden soortgenoten te zien. Ze vinden ze eng en weten niet wat er mee te doen, ze zullen zich ten opzichte van hen asociaal gedragen. Puppies, die geen of heel weinig ervaring met mensen hebben opgedaan, zullen daarentegen bang zijn voor mensen, omdat ze niet hebben geleerd dat deze, misschien wat vreemde, maar toch ook soortgenoten zijn.
Omdat een groot deel van de primaire socialisatie bij de fokker wordt doorgebracht is deze mede verantwoordelijk voor deze periode. Er zijn gelukkig veel goede fokkers. Helaas is nog lang niet iedere fokker zich deze verantwoording bewust of het interesseert hem niet, als hij maar verkoopt (broodfokkers en de zogenaamde puppyfarms, die hele nesten opkopen, vaak veel te jong; leeftijd, ras of rasloos, het maakt niet uit). Tussen 3 en 5 weken gaat de pup overal frank en vrij op af zonder angst voor mensen, dieren en dingen. Na ongeveer 5 weken reageert hij voor het eerst met angstreacties, hij herstelt zich echter vrij snel. Later zal dit herstellen steeds langer duren. Als de pup zeven weken oud is, is het toenaderingsgedrag en het vluchtgedrag in evenwicht, daarna neemt het toenaderingsgedrag af en het vluchtgedrag toe. Rond week 12 is dit proces voltooid en vanaf die tijd zal de pup onbekende en nieuwe zaken met terughoudendheid onderzoeken. U begrijpt dat als de pup geïsoleerd is opgegroeid en hij pas na de 12e week naar een nieuwe eigenaar gaat, deze pup overal bang voor is, zo niet in paniek raakt.
 
De pups worden intussen onafhankelijker van hun moeder en zijn nu goed in staat vast voedsel te eten en zullen nauwelijks nog bij de moeder drinken. Voor de meeste rassen is de 7e of 8e week de beste tijd om naar hun nieuwe tehuis te gaan.
Het is nu de taak van de nieuwe baas de pup overal mee naar toe te nemen waar hij in zijn latere leven ook mee te maken krijgt. Des te meer de pup in aanraking komt met dingen en situaties in deze periode, des te beter zal hij zich later kunnen handhaven in onze mensenmaatschappij. In de nieuwe omgeving moet er ook weer met van alles en nog wat worden kennis gemaakt: andere honden, stofzuigers, auto’s, fietsen, treinen, bussen, eenden, kippen, katten, schapen, paraplu’s, grote vrachtwagens vuilnisbakken enz. Allerlei soorten kinderen, het borstelen van de vacht, op tafel zetten, markt, winkelcentrum en wat in uw situatie allemaal belangrijk is. Het traplopen mag op deze leeftijd nog niet, in verband met beschadigingen aan de spieren, pezen en gewrichten, hij moet eerst uitgeroeid zijn.
In de hoop dat het later geen probleem wordt (trap niet op durven), gaat hij in deze periode, onder begeleiding 1x de trap op en af. Het hoeft allemaal maar kort te duren en elke dag weer anders. De pup moet nog veel slapen in deze periode.
Het opdoen van al die indrukken is zeer vermoeiend en hij moet deze rustig kunnen verwerken. Het uitgaan per keer duurt niet langer dan 5 minuten per levensmaand.
Is de pup 4 maanden oud, dan gaat hij 5x4= 20 minuutjes uit. De pup kan nu ook worden geleerd in huis zindelijk te zijn en waar hij wel en niet op mag kauwen. Spelenderwijs worden hem de basisoefeningen aangeleerd; zitten, liggen, komen, ergens even blijven en het meelopen zonder trekken en er word veel met de pup gespeeld. Hij moet ook leren niet bang te zijn voor normale dingen. Schrikt de pup leidt hem dan af met wat lekkers of een speeltje en neem hem mee naar dat gekke ding om te laten zien dat er niets aan de hand is. Het is uitermate belangrijk om de pup niet te troosten als hij schrikt, hij zal de troostende woorden en uw aaien als een beloning zien voor zijn schrik en zal de volgende keer nog meer schrikken en bang zijn. U hebt hem immers geleerd dat het echt heel eng is! Tussen de 8 en 10 weken oud beleeft de pup een periode van emotionele instabiliteit, waarin gemakkelijk angstindrukken worden gevormd.
 
4. Secondaire socialisatiefase (12e week t/m de 6e maand).
Een periode die belangrijk is voor de relatie in de toekomst tussen de hond en zijn roedel / gezinsleden. Als het goed is kent de hond zijn plaatst in de roedel (het gezin). Als hij voldoende leiding krijgt is hij vrolijk en tevreden, er heerst rust in de roedel en de jonge hond voelt zich veilig. De hond wordt echter ook ondernemender, verlegt zo nu en dan zijn grenzen en probeert zijn roedelgenoten uit om te zien hoe ver hij kan gaan. Hij komt niet meer direct als hij geroepen wordt, hij voelt zich niet meer geroepen een bepaalde oefening uit te voeren, kan eens gaan grommen als iemand in de buurt van zijn volle etensbak of bot komt, gromt of probeert weg te lopen als het borstelen te lang duurt naar zijn zin. Het is in deze periode belangrijk dat u consequent blijft. Regels zijn regels en daar heeft de hond zich maar aan te houden. En er is er maar één die gromt en dat is de baas en dat bent u. Er zijn pups, die als ze dan gestraft worden, vreselijk te keer gaan en piepen alsof ze worden doodgemaakt. Hier moet u zich niets van aantrekken, want hij probeert indruk op u te maken om u met straffen te laten stoppen. Als dit lukt dan hebt u verloren en kan hij zijn gang gaan met u verder uit te proberen. Nee, zijn plaats is de laatste in de rangorde en zo moet dat blijven. Als u al een goede verstandhouding met de pup had in de vorige fase, zal het - u uitdagen - snel afgelopen zij of helemaal niet voorkomen. In deze periode is het uitermate belangrijk om door te gaan met de socialisatie anders raakt de hond gedesocialiseerd. Als zij dan buiten hun eigen, vertrouwde omgeving zijn gedragen zij zich alsnog a-sociaal of angstig.
 
5. Puberteit (ongeveer 6 maanden).
Vanaf ongeveer de 6e maand breekt de puberteit aan, bij de een treedt het eerder op dan bij de ander. De ene hond vertoont ook meer pubergedrag dan de ander. De touwtjes worden, indien nodig, wat meer aangetrokken en we accepteren geen gedrag wat niet door de beugel kan. De teefjes worden vroeger of later in deze periode loops en de reutjes gaan hun poot optillen en plassen meestal niet meer in een keer hun blaas leeg. Ze beginnen te markeren, dat wil zeggen dat ze hun plas verdelen in vele kleine plasjes om te laten zien: hier ben ik. Onder invloed van hormonen zou de reu ook dominantie problemen kunnen gaan vertonen, soms agressief gedrag vertonen. De eerste loopsheid kan bij sommige teefjes ook verandering van gedrag veroorzaken. Zij weet zich vaak geen raad met de belangstelling die de reuen voor haar tonen. Een goede begeleiding door de baas kan in de fase veel problemen voorkomen. Vanaf ongeveer de 10e maand heeft de hond zijn schofthoogte bereikt. Hoe groter het ras, hoe langer hij er meestal over doet om uit te groeien. Totdat de hond volwassen is moet rekening worden gehouden met zijn lichamelijke ontwikkeling. Om blijvende schade te voorkomen mag de hond, zolang hij nog in de groei is, niet worden blootgesteld aan te grote lichamelijke inspanningen. Als de rangorde nu niet goed is bepaald doet hij vaak instinctmatig op de leeftijd van 2 á 2½ jaar weer een greep naar de macht, zeker als hij voor die tijd geen leiding heeft gekregen. Hij beseft nu dat de groep een duidelijke leider nodig heeft om te kunnen overleven (aangeboren gedrag). Gelukkig weet u intussen beter en uw hond voelt zich veilig en vrolijk
onder uw leiding.
 
6. Volwassenfase.
Honden die verrijkt zijn opgegroeid hebben het gemakkelijker dan honden die weinig of niets hebben meegemaakt. Ook in deze periode kan men echter de hond nog veel aan en afleren als dit op de juiste manier wordt aangepakt.
 
7. Ouderdomsfase.
Grote honden zijn meestal eerder oud dan de wat kleinere honden, alhoewel er veel individuele verschillen zijn. Door de lichamelijke gebreken, zoals slecht kunnen zien of doofheid kunnen gedragsveranderingen ontstaan. Door allerlei andere problemen kan de hond zich stijver gaan voortbewegen, hij slaapt ook meer. Het is belangrijk om de hond, aangepast aan zijn toestand, zo lang mogelijk geestelijk als wel lichamelijk actief te houden. Met geduld en liefde is ook de oudere hond nog in staat om iets te leren al zal dat niet meer zo snel gaan als vroeger.
 
 
 
Honden beleven de omgeving anders dan mensen.
 
Het belangrijkste zintuig van de hond is gezeteld in zijn neus, zijn reukvermogen is niet te vergelijken met dat van de mens. Ook zijn gehoor is veel beter ontwikkeld en zijn gezichtsvermogen is anders dan van de mens.
 
Geur (communicatie).
Het hoogst ontwikkelde zintuig bij de hond is de reuk. Ter vergelijking met de mens: een mens heeft 5 miljoen reukcellen en de wolf 200 miljoen. Daarom zullen wolven en honden hun omgeving en nieuwe voorwerpen altijd uitgebreid besnuffelen, ook elkaar. De non-verbale (zonder woorden) communicatie onder honden gebeurt voornamelijk via feromonen (geurstoffen via klieren uitgescheiden). Feromonen zijn aanwezig in speeksel, ontlasting urine, slijm van de vagina, vocht van de anaalzakklieren en andere klieren.
Ontlasting van andere honden is voor de snuffelende hond hetzelfde als een visitekaartje voor de mens, iedere hond heeft zijn eigen individuele geur. Ze geven dus informatie aan de hond over de naam (Jansen, hond van de buren) en de rang (Jansen is er, dus dat wordt oppassen geblazen of hé, Piet van de overkant loopt hier ook ergens rond, leuk!). Het ruiken aan de achterhand van een andere hond is te vergelijken met het handen schudden van de mensen. Zeer onderdanige honden proberen de geur weg te nemen door de staart tussen de poten te drukken ( ik stel niks voor, hoor), in tegenstelling tot dominante of zelfbewuste honden die de staart juist omhoog houden.
Urine bevat sex-hormonen en geeft informatie of de teef loops is en over de autoriteit van de reu. Als je dus veel informatie over je zelf wilt geven als reu, til je bij het urineren je poot zo hoog mogelijk op, het liefst op neushoogte van de andere honden en bovendien doe je dat dan heel vaak, net zolang tot er geen druppel urine meer uit te persen valt. Een andere hond plast daar vaak weer over heen. Dat heeft te maken met de rang van de hond, zoiets van “wat verbeeld je je wel, ik ben hier de baas, dus mijn geur voort de boventoon”. Door te krabben met de poten over de aarde wordt nog meer geur verspreid. Soms zou het ergens plassen ook een geruststellende werking kunnen uitoefenen om in een bepaalde situatie de eigen vertrouwde geur te ruiken ( in de wachtkamer bij de dierenarts, op visite of misschien de geur van de nieuwe baby).
Honden begroeten elkaar meestal door uitgebreid de achterkant van de ander te besnuffelen, na eerst even aan de snuit gesnuffeld te hebben. Het duwen van de neus tegen de ander (neusduwen) is een teken van onderwerping, dit gaat samen met een lage houding. Ook het likken, gericht op de mondhoeken van de andere hond is onderdeel van onderdanig gedrag, hierbij wordt meestal hevig gekwispeld.
 
Gehoor.
Het gehoor is ook al veel beter ontwikkeld dan bij de mensen. Honden kunnen zachtere geluiden waarnemen, maar ook veel hogere tonen ontvangen. Een mensenoor kan geluiden tot ongeveer 20.000 Hertz per seconde waarnemen, een hond minstens 35.000 Hz per seconde. Op dit principe is de voor ons onhoorbare hondenfluit gebaseerd. Honden kunnen bovendien met hun bewegelijke oren geluiden veel beter lokaliseren dan mensen. De al dan niet grote oorschelpen bepalen waar het geluid vandaan komt (oren spitsen), tevens fungeren zij als een soort klankbord, waardoor het geluid nog wordt versterkt. De hond hoort leden van de familie thuiskomen, lang voordat wij dit horen. Hieruit volgt ook dat het dus niet nodig is tegen de hond te schreeuwen om hem iets duidelijk te maken.
Gezicht.
Het gezichtsvermogen van de hond is, in tegenstelling tot het gehoor en de reuk, niet beter of slechter dan de mens, maar het is anders. Zowel op het netvlies van de hond als op het netvlies van de mens bevinden zich twee soorten lichtgevoelige cellen: egeltjes en staafjes. De kegeltjes zijn weinig lichtgevoelig, maar maken scherp zien en het zien van kleuren mogelijk. Bij de mens bevinden zij zich aan de randen van het netvlies, bij de hond zijn ze verspreid over het gehele netvlies. Een hond heeft meer staafjes en de mens meer kegeltjes. Kegeltjes werken het beste in daglicht en staafjes in de schemering en als het donker is. Een hond ziet dus beter in donker dan de mens; dit wordt bovendien versterkt door de aanwezigheid van een lichtweerkaatsende pigmentlaag (tapetum lucidum) tussen het netvlies en het vaatvlies. Dit veroorzaakt ook het oplichten van de ogen als het donker invalt.
De hond ziet overdag op afstand minder goed dan de mens, speciaal wat stilstaande beelden betreft. Een bewegend beeld vangt hij wel goed op. Een hond kan enthousiast op iemand afrennen, denkende dat het de baas is om dan te merken, als hij vlakbij is, dat hij een vergissing heeft gemaakt. Als hij wordt geroepen of de baas zwaait met zijn armen dan zal hij deze fout niet maken. Belangrijk is dat de geleider van hondenrassen, waarbij het haar voor de ogen hangt, er voor zorgt dat dit haar met een speldje bij elkaar wordt gehouden.
Het door de haren niet goed kunnen zien veroorzaakt veel probleemgedrag en ellende voor de hond. Lang heeft men gedacht dat de hond geen kleuren zou kunnen zien, uit onderzoek is echter gebleken dat de hond bepaalde kleuren wel ziet.
 
 
Communicatie door middel van geluid, lichaamstaal, stand van de oren en staart, mimiek en het opzetten van de haren.
 
Geluid.
Niet allen door middel van geur, ook door middel van geluid communiceren honden met elkaar. Wanneer u luistert naar de hond is er een duidelijk verschil te horen wanneer een hond blaft om een andere hond uit te dagen tot spel of wanneer hij blaft uit angst. Het piepen van de hond die zich overgeeft klinkt anders dan de piep van pijn of wanneer hij piept uit opwinding, bijvoorbeeld tijdens de autorit, omdat hij een fijne wandeling verwacht. Het grommen van een dominant agressieve hond klinkt veel dieper en zwaarder dan het grommen van een angstig agressieve hond.
Een bepaald geluid of het gehuil van een andere hond kan sommige honden stimuleren om mee te huilen, het zo genaamde koorhuilen. Verder roepen honden, die niet goed hebben geleerd om enige tijd alleen te blijven, door middel van janken, huilen en blaffen, de roedel: “ik ben hier, waar ben jij”!?.
 
Lichaamshouding, oren, staart, mimiek en het opzetten van de haren.
Natuurlijk heeft de mens door selectieve fokkerij het voor zijn eigensoortgenoten, maar ook voor honden onderling, er niet gemakkelijker opgemaakt. De taal van de hond is de taal van de wolf; deze hebben echter allemaal staande oren, een staart en zijn ongeveer even groot.
Tussen de hondenrassen onderling zijn grote verschillen. We hoeven alleen maar te denken aan de Ierse Wolfshond (de grootste, meestal hoger dan 80 cm) en de Chihuahua ( de kleinste, ongeveer 18 cm), met daartussenin allerlei honden met verschillende hoogten en lengtes. Verder zijn er honden met allerlei soorten vachten, oren en staarten of geen staarten. Een beetje hond zou er tureluurs van worden. Een kleine terriër met vaak een redelijk fel karakter (dit in verband met het werk wat hij in het verleden deed en nog steeds doet) voelt zich net zoveel hond als die grote Rottweiler, die hij tegenkomt. Besef van groot en klein schijnen honden niet te hebben. Uitzonderingen daargelaten kunnen hinden toch goed met elkaar communiceren. Ze gebruiken hun oren, lippen, snuit, gezicht, staart, ogen en lichaam op zo’n specifieke manier dat dit door een andere hond wordt verstaan. Deze lichaamstaal is zeer gevarieerd; als u deze taal ook wilt verstaan, is het belangrijk dat er op de hele hond wordt gelet en niet op een enkel onderdeel.
 
De lichaamshoudingen zijn in drie groepen te verdelen, namelijk: neutrale houding, hoge houding en lage houding.
 
·      De neutrale houding wordt gekenmerkt door een voor het ras normale, ontspannen stand van de romp, kop, poten, oren en staart. De Beagle bijvoorbeeld houdt hierbij de staart hoog, dit duidt dus niet op dominant gedrag.
 
·      Een hoge houding (rechte rug, hoog op de poten, omhoog gerichte kop) met de staart hoog en de oren naar voren, betekent dat de hond zich ten opzichte van de ander superieur voelt. Heeft de andere hond dezelfde houding, dan zou er gevochten kunnen worden. Tenzij u een goede roedelleider bent en er vanuit gaat ”als er gevochten moet worden dan ben ik dat en niet jij”. Dus “kom op, doorlopen” en u loopt door. Als uw hond er alleen voor staat, heeft hij veel minder de neiging om het tot een vechtpartij te laten komen; bovendien geeft u als leider aan dat u het niet wilt hebben.
 
·      Een lage houding is te zien als de andere hond een ondergeschikte positie inneemt, zich wat kleiner maakt (gekromde rug, omlaag gehouden kop, geknikte poten), de oren naar achteren houdt en de staart iets naar beneden, dan geeft hij aan dat hij de hogere rang van de ander erkent. De verhoudingen zijn duidelijk, ze negeren elkaar verder, soms gaan ze spelen. Als de hond zo’n positie ten opzichte van de geleider aanneemt erkent hij deze ook als de baas. Deze hond is niet bang voor de baas zoals zo vaak wordt gedacht.
 
·      Als de hond de oren ver naar achteren houdt en de staart is weggedrukt tussen de poten tegen de buik aan dan is hij bang. Als deze hond niet kan vluchten zou hij kunnen bijten uit angst.
 
·      De dominante hond met de mondhoeken naar voren, zodat alleen de voortanden worden ontbloot, met de ogen fixerend, de neus gerimpeld, de oren naar voren en een diep gegrom, is onbevreesd. Hij zal hoog aanvallen en de tanden stevig in de ander zetten (dominante agressie).
 
·      De angstige hond trekt zijn mondhoeken juist helemaal naar achteren zodat hij zowel zijn voor-als zijtanden laat zien, ook de neus is gerimpeld, maar meer in de lengte en de oren zijn ver naar achteren getrokken. Hij laat het wit van zijn ogen zien en zijn gegrom klinkt lichter dan bij de dominante hond (deze hond toont angst agressie). Bij meer dreiging en geen vluchtweg zal hij uitvallen, meestal met korte, felle bijtbewegingen, hij bijt van zich af. Hij pakt het eerste het beste waar hij bij kan, bijt en laat weer los. Als hij de kans krijgt om te vluchten dan zal hij dat liever doen. Tenzij hij geleerd heeft dat zijn aanval altijd succes heeft: dan werkt het als zelfbelonend gedrag en zal hij steeds meer aanvallen dan vluchten.
 
·      Op de rug liggen is een overgave gebaar, alle kwetsbare delen worden ontbloot, eventueel wordt hierbij wat urine geproduceerd (deemoedplasje). Deze houding roept bij een andere hond een bijtrem op, ook al zou hij willen bijten, hij kan het niet meer. Natuurlijk is na een gevecht de agressie niet in een keer weg, de overwinnaar staat nog gevaarlijk over de verliezer te grommen. Als de hond, die zich overgeeft, niet stil blijft liggen kan hij hem opnieuw tot de orde roepen. Blijft hij wel doodstil liggen, dan ebt de agressie langzaam weg, met stijve poten en in een hoge houding loopt de overwinnaar langzaam weg en doet nog een plasje ten teken dat hij toch echt de baas is.
 
·      Oogcontact is ook heel belangrijk. Dominante honden zullen naar andere honden staren (fixeren) terwijl onderdanige hondenjuist de blik afwenden. Veel gevechten beginnen doordat de honden oogcontact zoeken. Door de aandacht van uw hond op te eisen wanneer u een gevecht verwacht, kan in veel gevallen een gevecht worden voorkomen.
 
·      Het opzetten van de haren (borstelen) komt zowel bij angst (meteen lage houding) als bij dominant gedrag (met een hoge houding) voor, soms ook bij spel.
 
·      Het uitnodigen tot spel is vaak te zien aan het door de voorpoten zakken van de hond. Een andere uiting is het heen en weer gaan rennen voor de andere hond.
 
 
Hoe honden leren.
 
Honden kunnen op twee manieren worden geconditioneerd om nieuw gedrag aan te leren.
 
Via het onvrijwillig leren : hierbij wordt een eerste, neutrale prikkel gekoppeld aan een tweede prikkel, zodat ze uiteindelijk dezelfde prikkel waarde krijgen. De Russische gedragonderzoeker Pavlov heeft de basis gelegd voor deze leermethode.
 
Via het vrijwillig leren: deze manier van leren is geheel gebaseerd op het belonen van gewenst gedrag en het bestraffen van ongewenst gedrag. De Amerikaanse psycholoog Skinner heeft de grondslag gelegd voor deze manier van leren. Hierbij gaat men er vanuit dat gedrag, dat gekoppeld is aan positieve gevoelens steeds meer zal voorkomen. Gedrag, dat gekoppeld is aan negatieve gevoelens zal steeds minder voorkomen.
 
Onvrijwillig leren.
Als u de hond wilt leren zitten zegt het woord ”zit” (eerste prikkel) hem helemaal niets; hij begrijpt niet wat er van hem wordt verwacht. Als u echter “zit” zegt en direct aansluitend op zijn achterwerk duwt (tweede prikkel); zal de hond, na enige tijd, door hebben wat de bedoeling is. De eerste prikkel ( het woord “zit”) krijgt de zelfde waarde als de tweede prikkel, het duwtje. Uit onderzoek is gebleken dat het belangrijk is dat prikkel 1 vlak voor prikkel 2 wordt gegeven, anders werkt het niet goed. Na verloop van tijd wordt er een blijvende combinatie gemaakt en gaat de hond bij het commando “zit” ook zitten. Een hond is een gewoontedier. Door een bepaalde oefening steeds maar weer te herhalen wordt het uiteindelijk ( bij dagelijks oefenen, na ongeveer zes weken) een automatisme.
Als het zover is zakt hij, zonder hulp of beloning bijna vanzelf door zijn poten om op zijn kont te gaan zitten na het commando “zit”. Het duwtje op het achterwerk wordt door de hond vaak als negatief ervaren, tegenwoordig leren we de hond op positieve wijze de zitoefening aan. We laten hem bij het aanleren op een bepaalde wijze achter een brokje (een speeltje) aangaan om hem te laten zitten.
 
Het vrijwillig leren.
Als de baas ziet dat de hond van plan is om te gaan zitten, geeft hij hem snel het commando “zit”, en op hetzelfde moment dat zijn kontje de grond raakt, wordt hij beloont met zowel een brokje als met de stem “braaaaaaf”. Dit geeft hem een prettig gevoel. Als dit enige tijd wordt herhaald, dan kan de baas met het commando “zit” beginnen, want hij weet intussen dat dit een leuke oefening is en dat het een prettig gevoel oplevert. Beloon wel altijd samen met de stem, deze krijgt dan dezelfde beloningswaarde als het brokje (onvrijwillig leren).
In het begin (leerfase) wordt de hond iedere keer na de uitvoering van een nieuwe oefening beloond. Voert hij de oefening steeds perfect uit (beheersingsfase), dan wordt hij, na verloop van tijd, variabel beloond om de spanning erin te houden. Uit onderzoek is gebleken dat, als de hond een oefening goed kent, de beloning meer waarde heeft als hij hem af en toe krijgt toegediend, dan iedere keer, na uitgevoerd gedrag. In de praktijk wordt een bepaalde oefening met hulp (achter het brokje of speeltje aangaan) en daarna volgt de beloning (prettig gevoel). Door beide leerprincipes te combineren leert de hond nog sneller.
 
Aandacht van de hond voor de baas is natuurlijk heel belangrijk als deze hem een bepaalde oefening wil aanleren. Zonder aandacht is de hond met zijn eigen zaken bezig en niet bereikbaar voor de mens.
 
Ongewenst gedrag wordt gecombineerd met een onprettig gevoel, bijvoorbeeld door hem te laten schrikken. Als hij in de kamer bezig is een plant uit de plantenbak te trekken, gooit u iets naar hem toe wat lawaai maakt en hij zal enorm schrikken (onplezierig gevoel). Hij heeft bovendien het idee dat hij terplekke door de plant zelf wordt gestraft. Als u, als leider, deze schrik bevestigt door hem te troosten, weet hij zeker dat het een enge rotplant is. Deze schrik mag u bevestigen door hem te troosten, omdat het in uw voordeel werkt, u wilt de hond dit gedrag afleren. Een plant meer of minder in de kamer maakt voor de hond niet veel uit, maar voor u wel. Soms is één keer gooien genoeg, soms moet dit nog één of twee keer worden herhaald, dat hangt van de motivatie van de hond af en de mate van schrik, die hij beleeft. Heeft hij af en toe succes, dan zal hij het blijven doen (variabele beloning).
Wat heel belangrijk is, is het moment van belonen en straffen. Komt de beloning of straf iets te vroeg of te laat, dan wordt het verkeerde gedrag bekrachtigd. Beloning en straf moeten binnen een halve seconde na uitgevoerd gedrag volgen, dus bijna gelijktijdig. Net als bij onvrijwillig leren geldt, dat een sterke beloning beter werkt dan een zwakke en een zware straf (de gevoeligheid van de hond in aanmerking genomen) veel meer effect heeft dan een zacht “foei”.
 
Het aanleren van een gedrag kan de hond ook zelf doen door het nabootsen (imiteren) van andere, meestal ranghogere honden. Dit kan zowel negatief als positief uitvallen. Jonge honden, die bij een schaapskudde worden gebruikt leren veel van de al ervaren, oudere honden. Een negatieve vorm komt voor als de moederhond angstig of nerveus is en de puppies dit gedrag overnemen. Een reden te meer om niet met angstige honden te fokken.
 
Verder krijgt u door spel een goed contact met de hond, spelenderwijs kunt u hem leren: omdat het leuk is zal hij ook beter onthouden.
 
De hond leert ook door stemmingsoverdracht, het opgewonden of bang zijn van de baas merkt de hond op en het wordt overgenomen (baas is bijv. bang voor een bepaalde hond, bang voor onweer).
 
 
Hulpmiddelen bij het opvoeden van de hond.
 
Een belangrijk hulpmiddel bij de opvoeding van de hond is uw stem. Een lage neutrale stem is voor de hond niet interessant, varieer dus zo veel mogelijk in toonhoogte (hoog, laag, hard, fel, zacht en fluisterend), in ieder geval met veel intonatieverschil tussen maximale motivatie en demotivatie. Schreeuwen is niet nodig; corrigeert u de hond, dan klinkt uw stem boos, een “foei” op vriendelijke toon uitgesproken heeft geen effect of juist het tegenovergestelde. Een “braaf” moet juist enthousiast klinken. Uw enthousiasme werkt aanstekelijk, de hond gaat het steeds leuker vinden om iets voor u te doen. De hond leert bovendien al snel dat “braaf” veel prettiger voor hem is dan “foei”. Tegenwoordig gaat men er vanuit dat het “ja-braaf” hondje sneller leert dan het “nee-foei” hondje. Dit bereikt men door goed gedrag zo veel mogelijk en gemotiveerd te belonen en niet gewenst gedrag zoveel mogelijk zien te voorkomen.
Uw houding is ook van groot belang. Als u zich groot maakt, dus rechtop blijft staan, zal de hond eerder een commando opvolgen. Een bange hond, die niet durft te komen als hij wordt geroepen, zal daarentegen eerder komen als u zich wat kleiner maakt. Over de hond heen hangen kan de hond als bedreigend ervaren.
 
Het speeltje.
Een hond kan meerdere speeltjes hebben, maar het speeltje dat hij het allerleukste vindt, gaat een speciaal speeltje worden. Dat wordt namelijk het speeltje van de baas en daar mag hij niet meer allen mee spelen. Het moet wel een speeltje zijn dat u beiden kunt vast houden (een touwballetje of een balletje in een sok geknoopt) en zo klein dat het bij de opgeboste riem in de hand verstopt kan worden en gemakkelijk uit de zak kan worden gehaald. Het is namelijk bedoeld voor het spelen aan de lijn. Door de lijn is het spel gecontroleerd, het dwingt de hond tot aandacht voor de degene die met hem speelt, het is bovendien rangorde bevestigend. Belangrijk is dat zowel baas als hond plezier beleven aan het spel. Door achteruit te lopen nodigt de baas de hond uit tot spel en hij maakt het speeltje heel spannend.
Voor de wandeling is een tennisballetje heel handig. U maakt dit balletje heel erg interessant en gebruikt het alleen buiten, als u samen speelt met de hond.
Denk erom het balletje is niet glad en moet zo groot zijn dat de hond het niet kan doorslikken. Thuis ligt het in de kast, daar krijgt de hond zijn botten, touw of andere kauwdingen. Met zo’n balletje kunt u heel wat problemen voorkomen. U kunt uw hond onder andere leren niet achter paarden, trimmers of fietsers aan te gaan; die zijn taboe, maar zijn bal niet. Ziet u dat hij van plan is achter een trimmer aan te gaan, dan hoort hij: “nee” en direct daarop: “kijk is” en de bal wordt in een andere richting weggegooid. Gaat hij er achteraan dan is hij “braaf”; brengt hij hem dan ook nog terug, dan is hij extra braaf. 
Heel gevaarlijk is het om de hond achter een stok aan te laten rennen. Deze kan rechtop in de grond blijven staan, uw hond kan vaak niet vlug genoeg remmen en krijgt het uiteinde van de stok in zijn keel met alle gevolgen van dien. Ook splinters kunnen in zijn darmen komen vast te zitten, die er alleen via een operatie uitgehaald kunnen worden.
Bovendien kan de schouderpartij beschadigd raken omdat hij altijd plotseling moet remmen als hij de stok wil pakken, want deze rolt niet door. Het balletje rolt wel door nadat het de grond heeft geraakt, dus hij heeft veel meer tijd om te remmen.
 
Een brokje.
Een speciaal stukje hondenworst, gekookte runder- of kippenlever, een heel lekker brokje. Het liefst een heel klein stukje, het moet hap/slik weg zijn.
 
De handen.
Er zijn wetenschappers, die zeggen dat de hond de mens ziet als een super-hond met drie koppen. De handen fungeren dan als extra koppen, wij doen met de handen wat de hond met de bek doet. Wij aaien/ verzorgen de hond namelijk met de handen, de hond likt zichzelf of een roedelgenoot met de tong. De hond bijt met zijn bek, wij doen het met de handen, als we hem eens een keer flink beet pakken (bijten) om enige dingen met hem af te spreken.
Hieruit volgt dat wij de hond ook de handen kunnen aanbieden om te likken bij het begroeten, in plaats van het likken aan het gezicht (snuit) toe te staan. Verder kunnen de handen dienst doen om hem attent te maken: knippen met de vingers, klappen in de handen om hem enthousiast te maken of tikjes tegen het dijbeen om hem mooi mee te laten lopen.
 
Riem en halsband.
Middelen om zowel de aandacht van de hond te krijgen als om hem te corrigeren.
 
 
Hoe U nooit mag straffen.
 
·      Doorgaan met straffen als de hond zich overgeeft.
·      Achteraf straffen.
·      Straffen op zijn plaats.
·      Voor straf naar zijn plaats sturen.
 
Straf moet doorkomen, maar moet de hond niet bang maken voor degene die hem straft.
 
Op het moment dat een hond zich overgeeft, stil op rug ligt, soms piept en urine produceert, krijgt de straffende of winnende hond een bijtrem, hij stopt met bijten, hij kan ook niet meer bijten. Mensen kennen geen bijtrem, als ze doorgaan met straffen denkt de onderliggende hond dat hij wordt gedood en zal noodweer-agressie vertonen. Geen hond zal zich zomaar laten doden, het is zeer onhonds gedrag en te vergelijken met dierenmishandeling.
 
Achteraf straffen is een zeer frustrerende maatregel, en heeft geen enkele zin. Straffen moet binnen een halve seconde gebeuren of u straft ander gedrag. Als u thuiskomt en u ziet dat de hond iets heeft vernield en u straft hem terwijl hij blij naar u toekomt rennen, dan straft u het laatste gedrag, het naar u toe komen. De hond zal het niet begrijpen, hij zal gefrustreerd raken. Als dit meerdere keren gebeurt leert de hond wel, gestressed als hij intussen is, dat als de situatie in de kamer is veranderd en de baas komt thuis dan zwaait er wat. Het lijkt er op dat de hond zich schuldig gedraagt, hij komt niet begroeten, maar blijft, zich klein makend, in de mand. De baas, die dit ziet als schuldig gedrag en hem opnieuw straft, weet niets van hondengedrag. Een hond kan zich niet schuldig voelen, hij is gewoon bang. De hond heeft geen idee waarom hij wordt gestraft en heeft geen idee van waardevol en waardeloos. Een jonge hond, een pup moet niet alleen in een ruimte achterblijven, waar hij in zoveel dingen zijn tanden kan zetten, hij moet eerst leren waarin hij wel en niet mag bijten. Een volwassen hond kan verandering van omgeving of een verandering in de thuissituatie zich niet meer veilig voelen, als hij alleen achterblijft. Hij kan onzeker en angstig zijn en om dat nare gevoel maar niet meer te voelen gat hij wat doen (vernielen).
Als de oorzaak wordt aangepakt dan is het vernielen ook over. Het zal echter even duren voordat de hond weer vertrouwen in de baas heeft, want dat is ernstig beschadigd. Onderzoekers hebben zich met dit gedrag bezig gehouden. Het blikt als zij enige veren kussens verknippen en in de kamer strooien waar de hond vertoeft terwijl de baasweg is, dat deze rustig toekijkt en pas angstig gedrag vertoont bij thuis komst van de baas. Hij heeft niets gedaan, doch de situatie was anders geworden en hij verwacht dus gestraft te worden.
 
Zijn plaats is zijn veilige plek, dar wordt hij niet gestraft en ook niet voor straf naar toegestuurd.
 
Een hond heeft recht op een goede consequente opvoeding, een rechtvaardige baas die hij kan vertrouwen. Zo opgevoed zal hij goed functioneren in onze huidige mensen maatschappij en geen negatieve reacties oproepen bij niet-honden bezitters.
 
Men is nog steeds bezig gedrag van honden te bestuderen, de laatste jaren ontwikkeld het onderzoek zich in snel tempo, ook wat leergedrag betreft.
 
Bedenk;
Een hond is een hond, is een hond, is een wolf, maar geen mens, wel uw beste kameraad.


Verzorging

 
Inenten
 
Er komen bij de hond enkele zeer ernstige infectieziekten voor, die u door middel van vaccinatie (preventieve injecties) kunt voorkomen.
 
Leeftijd van de hond                            Behandeling
- 6 weken                                                  - Puppie-enting tegen: Parvo en Hondenziekte.
- 9 weken                                                  - Soms herhalingsprik tegen Parvo.
- 12 weken                                               - Cocktail-enting tegen:
                                                                       Hondenziekte, Leverziekte, Parvo,
                                                                       Leptospirosis (o.a. ziekte van Weil),
                                                                       Kennelhoest, z.n. Rabiës (hondsdolheid).
- 15 – 16 weken                                       - Soms herhalingsprik tegen:
                                                                       Leptospirosis en/of Parvo.
 
Elk jaar een herhalings-inenting tegen Parvo, Kennelhoest en Leptospirosis; deze laatste bij voorkeur in het voorjaar.
 
Bij bezoek aan het buitenland jaarlijks, minimaal 30 dagen voor het vertrek, een enting tegen Hondsdolheid. Ook grensgebieden, waar veel vossen en vleermuizen zijn, is het verplicht of raadzaam uw hond te laten inenten.
 
Elke één tot twee jaar een herhalings-intenting tegen Hondenziekte en Leverziekte.
 
Ziekte van Aujeszky. Deze ziekte is voor honden vaak dodelijk. Het is een virusziekte, die meestal bij varkens voorkomt. Vaccinatie is zinvol voor honden op varkensbedrijven. Belangrijk: geef uw hond nooit varkensvlees.
 
 
Gevaren in warme streken.
 
Babesiosis. Als u naar het Middellandse Zeegebied gaat, kan uw hond besmet worden door een parasiet op een daar levende teek. Deze teek komt tegenwoordig al direct onder Parijs voor. Uw hond wordt ernstig ziek en kan er aan dood gaan. Laat uw hond preventief inenten vlak voor uw vertrek: het beschermt de hond ongeveer zes weken. Dit, en een goede tekenband, verzekert u van een, op dit gebied, probleemloze vakantie.
 
Leishmaniasis. Deze ziekte komt steeds vaker voor en wordt veroorzaakt door een parasiet van het (bloedzuigende) zandvliegje. Pas als de parasiet zich voldoende in het lichaam van de hond heeft ontwikkeld, wordt de hond ziek. Dit kan een paar maanden tot een jaar of langer duren. Ongeveer in de volgorde waarin zij zich voordoen, zijn de symptomen de volgende:
-         voorbijgaande verlammingsverschijnselen in de achterhand
-         irritatie op de rug net boven de staart en de heupen
-         van tijd tot tijd om onverklaarbare redenen overgeven
-         de huid droogt uit en de vacht wordt dof
-         de nagels gaan sneller groeien
-         de algemene toestand van de hond gaat achteruit
-         gewichtsverlies en minder energiek, snel moe
-         er kunnen spontaan wonden ontstaan, die niet of nauwelijks genezen
-         de milt is intussen sterk vergroot
-         tenslotte krijgt de hond koorts, diarree en schuim op de urine.
Vele honden gaan er aan dood, hoewel er een behandeling tegen deze ziekte is.
Deze ziekte is preventief te behandelen door het gebruik van een Scaliborband en Scaliborshampoo tegen het zandvliegje. Het inspuiten met Frontlinedruppels (tussen de schouderbladen) is echter geen bewezen preventiemiddel.
Mensen kunnen deze parasiet ook oplopen, volwassenen kunnen er flink ziek van worden, maar kunnen genezen. Jonge kinderen worden er doodziek van, kunnen er echter van herstellen.
 
RAADPLEEG ALTIJD UW DIERENARTS VOOR U MET UW HOND NAAR HET BUITENLAND REIST.
 
Parasieten
 
De meest voorkomende uitwendige parasieten zijn vlooien en teken.
 
Vlooien moeten beslist bestreden worden omdat:
-         de beet jeuk veroorzaakt waardoor de hond zichzelf open krabt of bijt. Is de hond gevoelig  
          voor vlooien dan kan één vlooienbeet al voldoende zijn om enorme jeuk over het hele lichaam
          te veroorzaken, de zogenaamde vlooien-allergie.
-         Via de vlo kan de hond ook lintwormen oplopen (zie ook lintworm).
 
Vlooien kunt u bestrijden d.m.v. poeders, druppels, tabletten, spray en lotions. Bestrijd tevens de directe omgeving van de hond, zuig regelmatig en zorgvuldig uw huis (kieren en gaten, de mand van de hond, i.v.m. vlooien-eieren). Een bestrijdingsmiddel in uw stofzuigerzak zorgt er voor dat de eitjes/larven ook doodgaan.
 
Teken kunnen de hond vooral in het voorjaar en de zomer plagen. De hond kan een teek oplopen in struikgewas en in hakhout. Als de hond hier onderdoor loopt laten de teken los, hechten zich geruime tijd later vast aan de hond en zuigen zich vol met bloed. Om een teek te verwijderen wordt een tekenpincet gebruikt, waarmee men draaiend de teek kan verwijderen. Vooraf geen watjes met alcohol, spiritus, olie en dergelijke gebruiken, want daarmee wordt de teek gestimuleerd zijn maaginhoud in de hond te injecteren. Dit zou een besmetting in de hand kunnen werken van de Ziekte van Lyme.
 
De hond kan ook last hebben van luizen (niet vaak), schimmels en mijten. Vooral oormijt komt regelmatig voor en is gemakkelijk over te brengen op andere honden.
 
De meest voorkomende inwendige parasieten zijn de spoelworm en de lintworm.
 
Ingewandswormen kunnen verschillende ziekten en aandoeningen met zich meebrengen. Met een wormkuur zijn ze echter vrij eenvoudig te bestrijden.
 
De meest voorkomende is de spoelworm; pups kunnen vanaf het moment dat ze geboren zijn er al last van hebben. De pups krijgen ze mee van de moeder. Een goede fokker zal zijn pups al in het nest een paar maal ontwormen. Het is verstandig om in overleg met de dierenarts deze kuur te herhalen; vraag naar zijn ontwormingsschema. Is de hond in minder goede conditie, dan worden de in de hond levende larven ineens weer actief. Dit komt voor bij ziekte, loopsheid en zwangerschap.
 
Het is goed te weten, dat er tussen het geven van een wormkuur en een inenting tegen een infectie ziekte, minstens een week verlopen moet zijn, om de inenting optimaal werkzaam te doen zijn.
 
De lintworm wordt overgebracht door vlooien. Een lintworm bestaat uit een kop die in het darmslijmvlies vastgezogen zit, met daaraan vast een keten van geledingen die elk een groot aantal eieren bevatten. De geledingen laten los (de kop blijft echter in de hond zitten en vormt weer nieuwe leden) en komen met de ontlasting mee naar buiten. Als ze in de buitenlucht komen, verdrogen ze en zien er dan uit als rijstkorrels. U kunt ze zien in de ontlasting en de haren van de broek van de hond. Lintwormen treden vaak op twee maanden na een vlooienplaag.
Bepaal het gewicht van uw hond en vraag uw dierenarts een wormenkuurtje voor u klaar te leggen.
 
 
Vachtverzorging
 
Waarom borstelen:
-         verzorgen van de vacht; dode haren, huidschilfertjes worden verwijderd.
-         Masseren van de huid; bloedsomloop wordt gestimuleerd.
-         Controle teken en klitten.
-         Goed voor de relatie baas/hond.
 
Ga eerst met de vingers door de vacht en verwijder teken en andere ongerechtigheden. Klitten met de vingers uit elkaar halen; lukt het niet dan de klit in lengterichting doorknippen (schaar met ronde punten gebruiken). Let op: de overgang van jeugdvacht naar volwassenvacht geeft vaak klitten. Klitvorming kan irriterend op huid werken en zelfs huidbeschadigingen veroorzaken.
 
Hoe (welk materiaal) en hoe vaak de hond moet worden geborsteld is per ras verschillend. Laat u door uw fokker/fokster, trimmer/trimster adviseren. In het algemeen wordt de hond geborsteld van de kop naar de staart. Bij langharige honden wordt vaak i.v.m. klitvorming van beneden naar boven gewerkt (wel in de goede haarrichting, niet tegen de haren in, dat is zeer pijnlijk voor de hond).
 
Wen de pup al jong aan deze verzorging. Omdat de vacht nog kort is, is het mogelijk alle pijnervaring uit te sluiten in het begin.
 
Vachtverzorging biedt u tevens een unieke gelegenheid een goede relatie met uw hond op te bouwen. Hij moet het toestaan zich door u te laten verzorgen. Bovendien kunt u hem intussen een paar opdrachtjes geven. We laten de hond eerst staan “staan en blijf”, daarna mag hij op zijn zij liggen “flat of plat en weer blijf”. U kunt hem op de rug laten rollen om zijn buik te borstelen en iedere keer kunt u hem laten merken hoe “braaf” hij is. Wassen hoeft niet; is het wel een keer nodig, gebruik dan een hondenshampoo (ook een baby-shampoo ontvet nog teveel). Zeepresten kunnen irritaties veroorzaken, spoel uw hond dus goed uit en droog hem goed af. De vetlaag (voor een deel verwijderd door het wassen) geeft de hond bescherming. Zorg er voor dat de hond goed droog is, voordat u hem weer uitlaat, zeker bij guur en koud weer.
 
 
Gebit, ogen en oren
 
Gebit
Op een leeftijd van ongeveer vier maanden begint de pup te wisselen. Dit gaat door totdat de pup acht of negen maanden oud is. Soms blijft er een melktand zitten naast de al doorgekomen blijvende elementen (vaak een hoektand). Is de melktand op een leeftijd van negen maanden nog aanwezig, raadpleeg dan uw dierenarts. Heeft de hond wisselproblemen (meestal niet), is het tandvlees vuurrood en heeft uw hond weinig eetlust, geef dan liever wat zachter voer. Geef hem wel wat harde honden-biscuits en een buffelhuid om aan te knagen.
 
Zorg er in deze tijd altijd voor dat de hond iets heeft om op te knagen. Geef echter nooit botten van varkens, wild of pluimvee, omdat deze door hun hoge kalkgehalte zeer broos zijn en gemakkelijk kunnen splinteren, wat ernstige verwondingen aan keel, slokdarm of darmen tot gevolg kan hebben.
 
De zogenaamde puppie-staafjes kunnen ook heel worden ingeslikt met alle gevolgen van dien.
 
Geef buffelhuid, of een goed uitgekookt runderbot. Dit kauwen dient ook ter voorkoming van tandsteen.
 
Wen de hond er al jong aan om het gebit te laten verzorgen. Door een goede gebitsverzorging houdt u niet alleen het gebit, maar ook het tandvlees in goede conditie. U kunt het gebit schoon houden met een gaasje om de vinger gewikkeld, waarop waterstofperoxide 3 procent. U kunt dit ook met een zachte tandenborstel doen.
In de dierenzaak zijn speciale gaasjes en tandpasta verkrijgbaar. Heeft de hond toch tandsteen, laat dit dan verwijderen door uw dierenarts of trim(st)er.
 
Oren
Gewoonlijk vraagt het oor van de gezonde hond weinig onderhoud. Geeft de hond niet aan dat hij last heeft, doe er dan niets aan. Het is echter goed om 1x per week de oren van de hond te inspecteren. Bedenk wel dat oorsmeer het oor beschermt. Is de oorschelp echt vuil, dan kunt u deze schoon maken met een watje of een gaasje om de vinger gewikkeld en gedrenkt in wat olijf- of baby-olie. Ga nooit en te nimmer met een wattenstokje in het oor van uw hond. U duwt het meeste vuil alleen maar dieper het oor in, met alle gevolgen van dien!! U kunt ook oorcleaner (op advies van de dierenarts) gebruiken, verkrijgbaar bij uw dierenarts of bij een goede dierenwinkel.
 
Bij sommige rassen zit er veel haar in de gehoorgang. Dit moet verwijderd worden, want het belemmert namelijk de goede doorluchting en in het opgehoopte vuil kan zich een broedplaats voor allerlei ziekte-verwekkende bacteriën vormen. Knip het haar niet weg, dat verergert de zaak. Het haar moet voorzichtig worden uitgetrokken met de vingers of pincet. Laat het u voordoen door een ervaren trimster.
 
Kenmerken, dat er iets mis is met het oor (mijt, ontsteking, vreemd voorwerp (bijv. grasaar)) zijn:
-         schudden met de kop
-         kop scheef houden
-         krabben aan het oor
-         schuren met de kop over de grond
-         het oor stinkt
 
GA NAAR DE DIERENARTS!!
 
Oormijt kan door schudden met de kop worden over gebracht op andere honden. Mijten veroorzaken jeuk en irritatie in de gehoorgang. Deze aandoening (te herkennen aan een korrelige bruin-zwarte substantie, die erg vies ruikt) is behoorlijk hardnekkig, omdat de mijten zich diep in de gehoorgang ophouden. Die plaats is meestal moeilijk met medicijnen te bereiken en men zal de behandeling langdurig moeten voortzetten. Zelfs als er van buiten aan de oren niets meer te zien is. Ga hiermee altijd naar de dierenarts.
 
Ogen
Ogen, die licht geïrriteerd zijn, kunt u zelf schoonmaken met een watje of een gaasje gedrenkt in afgekoeld, gekookt water (geen boorwater, niet elke hond kan er tegen). Het oog altijd schoonmaken van binnen (neus-kant) naar buiten in verband met het derde ooglid van de hond.
 
Bij etterige afscheiding, bindvlies ontsteking (rood van kleur) en andere oogkwalen, de dierenarts raadplegen.
 
Bij sommige rassen hangt er veel haar voor de ogen. Dit leidt vaak tot problemen zoals bijten omdat de hond schrikt van een onverwachte aanraking en geïrriteerdheid omdat de hond altijd door een gordijn van haren moet kijken. Doe uw hond een plezier, bind het haar bij elkaar, zodat hij/zij goed kan zien.
 
Anaalklieren
 
Gaat uw hond sleetje rijden (met z’n achterwerk over de grond schuren) of bijten bij de staartaanzet in een poging de anaalklier te bereiken (kenmerkend zijn de, meestal tweezijdige, bijtplekken achterop de rug aan weerszijden van de staart), dan kan dit het gevolg zijn van verstopte anaalklieren. Laat uw dierenarts of trimmer/trimster voordoen hoe u ze kunt uitdrukken, zodat u het later zelf kunt doen. Doe het niet vaak, alleen als het nodig is. Is de anaalklier ontstoken (duidelijk te ruiken), ga dan naar de dierenarts.
 
Voetzolen
 
Om er zeker van te zijn dat er geen kleine, scherpe steentjes tussen de voetzolen blijven zitten, moeten we ze regelmatig controleren. Soms zijn de voetzolen gebarsten. U kunt ze dan met een wonderpoeder bestuiven. Niet weken of vochtig maken.
Teer op de voetzolen of op de vacht kunt u verwijderen door de aangedane plekken met boter of margarine in te smeren en die met een tissue weg te vegen.
 
Honden in de winter
Wanneer uw hond regelmatig met pekel (strooizout) in aanraking komt, is het noodzakelijk na elke wandeling de voeten te spoelen in een bakje met lauw water. Droog ze daarna goed af.
Doe voor de wandeling niet op, maar tussen de voetzolen wat vet om klonteren van sneeuw te voorkomen. Knip alle lange haren onder de voeten weg. Komen er toch sneeuwballetjes tussen de voetzolen (de hond gaat plotseling hinken) ontdooi deze dan met de handen en verwijder ze voorzichtig. Zie er op toe dat de hond geen sneeuw eet, hoe graag ze dit ook doen. Het kan leiden tot maag-darm stoornissen. Laat uw hond ook niet op het ijs, de hond weet niet wanneer het wel/niet kan en zou er door kunnen zakken.
Laat de hond bij thuiskomst niet op een al te warme plaats liggen, de overgang is te groot en dit kan leiden tot diarree, verkoudheid en huidproblemen.
 
Nagels
 
Loopt de hond vaak op een harde ondergrond, dan slijten de nagels meestal op natuurlijk wijze af. Lopen ze echter altijd op een zachte ondergrond, dan slijten ze niet. Deze lange nagels veroorzaken spreidtenen en deze veroorzaken op hun beurt weer een afwijkend gangwerk.
Zijn de nagels te lang, dan kan uw dierenarts of trimster u laten zien hoe u zelf de nagels kunt knippen en adviseren welke tang u het beste kunt gebruiken. Let op zgn. “leven” (bloedvat); bij licht gekleurde nagels kunt u dit zien, bij donker gekleurde nagels niet.
Besteed ook aandacht aan de klauwtjes (vijfde teen) op de voor- en eventueel achterbenen. Deze zitten wat hoger. Ze kunnen, als ze te lang zijn, krom worden en in het vlees groeien.
 
 
Temperaturen
 
De lichaamstemperatuur van een hond ligt tussen de 38 en 39 graden Celsius. Dit is afhankelijk van het ras (grote, zware honden hebben over het algemeen een lagere lichaamstemperatuur dan kleine honden). Het opnemen van de temperatuur gebeurt rectaal met een gewone koortsthermometer (ingevet met vaseline), gedurende 2 minuten of een digitale thermometer, gedurende 1 minuut. Boven de 39,5 graden heeft de hond koorts. Zorg dat de hond rustig blijft liggen of staan tijdens het temperaturen en houdt de thermometer vast. Bij braken of diarree heeft de hond al gauw een ondertemperatuur o.a. ten gevolge van uitdroging. Bij zowel een onder- als een boventemperatuur is het nodig de dierenarts te raadplegen.
 
 
Het ingeven van medicijnen
 
Pillen, tabletten, capsules kunt u in een stukje worst stoppen (kijk uit met een darmontsteking of de hond het wel hebben mag). Soms ruikt de hond onmiddellijk dat er iets in zit en accepteert het niet. Foefje: drie stukjes worst, het eerste zonder medicijn, dan één met medicijn en direct er achteraan weer één zonder. U kunt het tabletje ook achterop de tong leggen, het iets naar achteren duwen en over de keel strijken. Door het strijken krijgt de hond een slikreflex en het tabletje wordt doorgeslikt.
 
Poeders kunt u het beste oplossen in wat water. Dit geheel zuigt u op in een spuit en u laat de vloeistof aan de zijkant van de bek tussen de lippen door naar binnen lopen. Via de kiezen sijpelt het zo verder en de hond kan zich niet verslikken.
Bij sommige honden lukt het door de oplossing met wat vlees te vermengen. Braakt de hond, dan geen medicijnen oraal (via de bek) ingeven, want hij braakt ze net zo hard weer uit.
Kijk uit met het geven van pijnstillers; de honden gaan zich al vlug forceren. Een penicilline kuur altijd afmaken, tenzij de dierenarts anders beslist.
 
 
Ontlasting
 
Controleer van tijd tot tijd of de kleur en de dikte van de ontlasting normaal is. Ontlasting hoort niet te hard en niet te zacht te zijn.
Diarree kan verschillende oorzaken hebben o.a.:
-         na verkeerd eten
-         na een strandwandeling (zout water gedronken)
-         wijziging van voer
-         ziekte
 
Dieet bij diarree:
Eerste dag:    vasten, alleen drinken, bij voorkeur rijstwater (handje vol rijst in ruim water koken) of thee.
Tweede dag:             het drinken aanvullen met een droge beschuit of licht voedsel (gekookte kip, vis, witbrood) in kleine hoeveelheden).
Is na drie dagen de diarree nog niet over, raadpleeg dan de dierenarts. Altijd naar de dierenarts gaan bij bloed in de ontlasting, als de hond suffig of ziek is, bij diarree en braken. Braken geeft veel vochtverlies, wat vooral voor jonge honden fataal kan zijn (al binnen een paar dagen).
 
Plaats uitwerpselen:
Probeer zo weinig mogelijk overlast te bezorgen (poep in grasmaaimachines). Leer uw hond zich in de bosjes of goot te ontlasten. Bij een ongelukje; ruim het zelf op!!!
 
 
Algemeen ziektebeeld
 
Let op het gewone beeld/gedrag van uw hond, dan bent u ook in staat het afwijkende beeld en gedrag op te merken. Enkele voorbeelden:
 
-         lopende neus, hoesten, abnormale afscheiding ogen, oren
-         uitstaande, doffe vacht
-         lusteloos, sloom, veel slapen
-         veranderend eet/drink gedrag, bijv. niet willen eten of veel drinken
-         koorts, rillerig
-         diarree, braken, kleur van de urine
-         hoe gaat de hond liggen, loopt hij kreupel
-         ademhaling, hijgt hij meer of eerder
-         agressief als hij op bepaalde plaats wordt aangeraakt
-         verandering van kleur mondslijmvlies, oogslijmvlies
 
 
Loopsheid
 
Als de teef om-en-nabij negen maanden oud is, zal zij voor de eerste keer loops worden. Individueel kan deze leeftijd sterk uiteenlopen. Zo is het volstrekt niet abnormaal dat een teef al met zes maanden loops wordt of pas met dertien maanden. Meestal wordt een teef één keer in de zes maanden loops, maar het komt voor dat er acht, negen of zelfs twaalf maanden tussen twee loopsheden in zitten. De loopsheid duurt drie weken, soms iets langer.
Vlak voor de loopsheid merkt u dat uw teef aantrekkelijk begint te ruiken voor reuen en dat de vulva opzwelt. Dan volgt een bloederige afscheiding. De dag waarop de bloeding begint is de eerste dag van de loopsheid.
Afhankelijk van het individu en het ras kan de dekking plaatsvinden tussen de negende en de zeventiende dag (soms later, meestal tussen de tiende en dertiende dag). In deze periode kan zelfs de meest gehoorzame teef ongehoorzaam zijn en zal proberen de benen te nemen. Houd dus uw loopse teef aan de lijn!
De teef blijft ongeveer vier weken aantrekkelijk ruiken voor reuen.
 
 
Trappen lopen
 
Laat uw pup geen trappen lopen! Draag de pup tot hij negen maanden oud is de trap op en af. Als u een groot ras hebt, of u bent slecht te been, draagt u hem dan zolang u dat kan. Is de pup te zwaar voor u geworden, pak hem dan vast bij de halsband en loop zo rustig met hem de trap op en af. Hierbij is de trap af schadelijker voor uw hond dan de trap op.
Bij een hond zijn de voorpoten d.m.v. spieren aan de romp bevestigd (een hond heeft geen sleutelbeenderen, zoals een mens). Bij een jonge hond zijn de spieren nog onvolledig ontwikkeld en zeer kwetsbaar. Bij het trap af lopen komt iedere keer het volle gewicht van de hond op de spieren van de voorhand. Hoe doldriester uw hond de trap “afdendert”, des te groter is de kans op blijvende beschadiging van de spieren van de voorhand. Heupdysplasie (HD) kan nooit alleen veroorzaakt worden door trappen lopen. HD is een erfelijke afwijking van het heupgewricht die door externe factoren (bijv. trappen lopen, voeding, onregelmatig terrein, gladde vloeren) wel verergerd kan worden, maar nooit door alleen die factoren kan ontstaan.
Laat uw pup in de socialisatie periode één keer de trap op en af gaan (om latere moeilijkheden -omdat hij de trap niet op/af durft- te voorkomen). Verbiedt het daarna.
 
 
Uitlaten
 
Ga met uw pup nog niet echt wandelen. Hij/zij geeft n.l. niet zelf aan wanneer het genoeg is geweest. Uw pup heeft nog veel rust nodig. Bovendien is het niet goed de nog onvolgroeide pezen, banden en gewrichten te veel belasten. Het is beter om de pup ergens mee naar toe te nemen, hem daar neer te zetten en dan zijn eigen tempo te laten bepalen. Vuistregeltje: opvoeren met 5 minuten per leeftijd-maand. Is de pup vier maanden oud, dan mag hij 5x4=20 minuten spelen/lopen in het bos of park.
 
 
Behendigheid
 
Vanaf een jaar. Het is echter wel mogelijk de pup/jonge hond al aan een aantal toestellen te wennen, bijvoorbeeld de tunnel. De pup moet er doorheen –tot grote hilariteit van de omstanders moet de baas soms de eerste keer zelf de tunnel in om de pup zo ver te krijgen. Daarna is het echter een heerlijk spelletje; we geven het commando “door”. We kunnen de pup alvast over een lange plank laten lopen, “over”, of een paar hele lage sprongetjes laten maken, bijvoorbeeld over een omgewaaide of gerooide boom of over een dikke tak over het bospad; “hoog”. Het is een leuk spel en goed voor de baas/hond verhouding. Let op, laat de hond niet te hoog springen i.v.m. de al eerder genoemde banden en gewrichten.
 
 
Draven naast de fiets
 
Een uitstekende beweging voor uw hond, maar nooit vóór dat de hond 1 jaar oud is, (bij grotere rassen nog langer wachten) is het draven naast de fiets. De hond moet volledig zijn uitgegroeid. Het monotone voortbewegen (zeker als het te lang duurt) is voor de gewrichten een zware belasting.
De hond altijd rechts naast de fiets laten draven. U begint op een heel rustige plaats de hond aan de fiets te laten wennen en in het begin maar een paar minuten. Langzaam de tijdsduur opvoeren (u gaat ook niet meteen een halfuur hardlopen als u dat niet gewend bent). Bij buitentemperaturen boven de 22 graden Celsius moet u de hond niet naast de fiets laten draven. Dit is pure dierenmishandeling.
 
 
Voeding
 
Een goede voeding voldoet aan de volgende eisen. Het moet:
-         lekker zijn,
-         goed te verteren zijn zonder al te veel problemen,
-         alle benodigde voedingsstoffen (40) bevatten en in de juiste verhoudingen,
-         geen toxische of andere de gezondheid bedreigende stoffen bevatten.
 
Honden hebben wat het voer betreft bepaalde voorkeuren die van hond tot hond verschillen. Voeding moet bestaan uit: koolhydraten, vetten, eiwitten, mineralen en sporenelementen, ruwe vezelstoffen en water. Een compleet voer bestaat uit al deze bestanddelen, bovendien in de juiste verhoudingen. Als u iets toevoegt of u mengt twee verschillende soorten voer met elkaar, dan is de juiste verhouding zoek en de hond kan in de problemen komen. Complete voeders kunt u krijgen in de vorm van: versvlees voer (diepvries maaltijden), droogvoer, diners en blikvoer. De samenstelling van de meeste voeders zijn goed tot redelijk goed. De betere voeders bevatten geen geur, smaak en schadelijke conserveringsstoffen. Er zijn veel goede voeders en er is keuze genoeg. Lees de samenstelling van de inhoud van het voer. De volgende voedingsmiddelen bevatten stoffen waar de hond niet tegen kan: rauwe zoetwatervis, chocolade, rauw of zacht gekookt ei. Deze dingen geeft u dus niet aan uw hond. Verder geen varkensvlees en liever geen rauwe lever. Nooit de hond alleen met vlees voeren; zie benodigde voedingsstoffen. Er zijn ook complete voeders in de handel. Hier kunt u wel een bepaalde hoeveelheid vlees aan toevoegen.
 
Is de hond volwassen, voer hem dan twee keer per dag. Zorg dat de hond altijd schoon, vers drinkwater tot zijn beschikking heeft.
 
Uw hond is in het algemeen te dik, als u zijn ribben niet kunt voelen en te mager als u zijn ribben kunt zien.
 
 
Toets
 
1.    Hieronder staan een aantal voorbeelden hoe u uw hond nooit mag straffen. Eén voorbeeld
       hoort niet in dit rijtje thuis. Welke is dat?
A.      Doorgaan met straffen als de hond zich overgeeft.
B.      Straffen op het moment dat de hond ongewenst gedrag vertoont.
C.      Voor straf de hond naar zijn plaats sturen.
D.      Achteraf straffen.
 
2.    Babesiosis is een ziekte die:
A.      Wordt veroorzaakt door een parasiet die leeft op een teek.
B.      Wordt veroorzaakt door een zandvliegje.
C.      Wordt veroorzaakt door vlooien.
D.      Wordt veroorzaakt door het eten van rauw varkensvlees.
 
3.    Twee van de meest voorkomende inwendige parasieten zijn:
A.      Teken en schimmels.
B.      Mijten en vlooien.
C.      Vlooien en wormen.
D.      Spoelworm en lintworm.
 
4.    Hoe kan de hond besmet met een spoelworm?
A.      Door het spelen in de zandbak.
B.      Door de vlo.
C.      Via de moederhond.
D.      Door het eten van rauw vlees.
 
5.    Het is goed om de hond te borstelen omdat:
A.     je dan niet meer naar de trimmer hoeft.
B.     de teken dan wegblijven.
C.     door het masseren van de huid de bloedsomloop wordt gestimuleerd.
D.     de huidschilfers beter blijven zitten.
 
6.   Wat zijn kenmerken als er iets mis is met het oor van de hond?
A.      Schudden met de kop.
B.      Veel plassen.
C.      Veel drinken.
D.      Niet meer krabben aan zijn oor.
 
7.   De lichaamstemperatuur van een normaal gezonde hond ligt tussen de:
A.     35-36º C
B.     36-37º C
C.     37-38º C
D.     38-39º C
 
8.    Bij welke buitentemperatuur moet u de hond beslist niet naast de fiets laten draven? (bij    
       bijvoorbeeld poolhonden ligt deze temperatuur zeker 5ºC
lager!)
A.      Boven de 20º C
B.      Boven de 22º C
C.      Boven de 25º C
D.      Boven de 28º C
 
 
9.   Waarom heerst er rust en orde in een wolvenroedel?
A.      Omdat de wolven de leider aanvaarden en zich daar veilig bij voelen.
B.      Omdat wolven vaak moe zijn van de jacht.
C.      Omdat de verhoudingen binnen de roedel altijd duidelijk zijn.
D.     Omdat de ranghogere wolven het goed met elkaar kunnen vinden.
 
 
10 De hond krijgt onvoldoende leiding van de baas. Waar kan dit toe leiden?
A.     Hij gaat de hele dag slapen en ziet wel wat de baas wil.
B.     De hond kan onzeker worden en dat kan tot allerlei problemen leiden.
C.     Een onderdanige hond gaat de baas dwingen om met hem te spelen.
D.    Vooral de dominante hond zal dan steeds beter gaan luisteren naar de baas.
 
 
11 De hond en kleine kinderen gaan prima samen als:
E.      De kinderen respect hebben voor de hond.
F.      De kinderen kruipend naar de hond toe gaan.
G.     De kinderen de hond recht in de ogen kijken en zo naar hem toe gaan.
H.     Het kind lekker veel speelgoed naar de hond toe gooit.
 
 
12 Welke stelling over het spelen is het meest juist?
E.      Met onzekere honden kan je beter niet spelen; ze worden hier nog onzekerder door.
F.      Bij een onzekere of angstige hond is het aan te bevelen de hond af en toe het spel te laten
         winnen.
G.     Een dominante hond moet af en toe het spel van u winnen, anders wordt hij onzeker.
H.     Het laatste spelletje wint de hond altijd. De hond geeft aan wanneer het genoeg is.
 
 
13 Moet een hond een vaste eigen plek hebben in huis?
A.      Nee, hij heeft geen recht op een eigen plek.
B.      Ja, mits deze vaste plek zo af en toe naar een andere plaats in huis wordt verplaatst.
C.      Ja, hij moet daar kunnen slapen of indien nodig voor straf naartoe worden gestuurd.
D.     Ja, hij moet een eigen plek hebben om zich terug te kunnen trekken en zich veilig te voelen
         zonder dat hij in de weg ligt.
 
 
14 Wat zijn reukvlaggen?
E.      De geur oppikken van een te zoeken voorwerp.
F.       Het afzetten van urine door de hond.
G.      De haren aan de achterpoten (broek) van de hond.
H.      De hoekpaaltjes op het trainingsveld.
 
 
15 Wat is de neonatale fase van de hond?
E.      Ouderdomsfase.
F.      Ongeboren pup.
G.      Pubertijd.
H.      Eet- en slaapfase.
 
 
16 Wat is het hoogst ontwikkelde zintuig bij de hond?
A.     Het gehoor.
B.     De reuk.
C.     Het zicht.
D.     Het gevoel.
 
 
17 Wat is kenmerkend voor dominant gedrag bij de hond?
A.     Het opzetten van de haren (borstelen).
B.     Het naar achteren trekken van de mondhoeken zodat de voor- en zijtanden zichtbaar zijn.
C.     De hond gromt.
D.     De oren staan naar voren.
 
 
18. Hoe voedt men een hond op tot een goede huishond?
 A.     Door hem altijd zijn zin te geven
 B.     Door hem tenminste drie maal per dag uit te laten.
 C.     Door zijn gedrag te begrijpen
 D.     Door hem regelmatig te knuffelen.
 
19. Wanneer weet een hond dat zijn baas roedelleider is?
 A.     Als zijn baas consequent is- nee is nee en ja is ja
 B.     Als zijn baas lacht om alle fratsen die zijn hond uithaalt.
 C.     Als de baas loopt te schreeuwen en te snauwen.
 D.    Als zijn baas meteen reageert wanneer de hond met een speeltje komt of  
          geaaid wil worden.
 
20. Wanneer is de primaire socialisatiefase?
 A.     Vanaf de geboorte tot +/- twee weken.
 B.     Vanaf twee tot drie weken.
 C.     Einde derde week tot +/- twaalf weken.
 D.    Of de twaalfde week t/m de zesde maand.